In deze civiele procedure hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. Tijdens de behandeling van het hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vastgesteld dat een van de appellanten een naast familielid is van een raadsheer binnen dit hof.
Vanwege deze familierelatie acht het hof het wenselijk om de zaak door een ander gerechtshof te laten behandelen om belangenverstrengeling en schijn van partijdigheid te voorkomen. Op grond van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie en het Zaaksverdelingsreglement van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wordt de zaak daarom verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam.
De beslissing is genomen en openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door de raadsheren J.H. Lieber, M.L. van der Bel en S.C.P. Giesen. De zaak zal nu verder worden behandeld door het aangewezen gerechtshof Amsterdam.