Belanghebbende is in hoger beroep gekomen tegen een uitspraak van de rechtbank die een bezwaar tegen een WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting ongegrond verklaarde. Tijdens de procedure is een compromis gesloten waarin belanghebbende zijn grieven introk onder de voorwaarde van een proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierechten.
Belanghebbende stelt dat hij bij het sluiten van het compromis heeft gedwaald, omdat hem een lagere wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding was voorgehouden dan in een andere zaak werd toegekend. Hij beroept zich daarom op vernietiging van het compromis wegens dwaling.
Het hof overweegt dat onzekerheid over de hoogte van de proceskostenvergoeding en het niet-bindende karakter van het richtsnoer proceskostenvergoeding dit beroep niet rechtvaardigen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de wederpartij de dwaling had moeten begrijpen. Bovendien is de gemachtigde een professionele procespartij die zijn kansen kan inschatten.
Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank uitsluitend voor zover het de proceskosten betreft en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van € 250 aan proceskosten en € 143 aan griffierechten. Het hoger beroep wordt daarmee gegrond verklaard.