ECLI:NL:GHARL:2026:695

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
25/1180
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 BWArt. 7:4 lid 2 AwbArt. 40 lid 2 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vernietiging compromis wegens dwaling in WOZ-procedure

Belanghebbende is in hoger beroep gekomen tegen een uitspraak van de rechtbank die een bezwaar tegen een WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting ongegrond verklaarde. Tijdens de procedure is een compromis gesloten waarin belanghebbende zijn grieven introk onder de voorwaarde van een proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierechten.

Belanghebbende stelt dat hij bij het sluiten van het compromis heeft gedwaald, omdat hem een lagere wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding was voorgehouden dan in een andere zaak werd toegekend. Hij beroept zich daarom op vernietiging van het compromis wegens dwaling.

Het hof overweegt dat onzekerheid over de hoogte van de proceskostenvergoeding en het niet-bindende karakter van het richtsnoer proceskostenvergoeding dit beroep niet rechtvaardigen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de wederpartij de dwaling had moeten begrijpen. Bovendien is de gemachtigde een professionele procespartij die zijn kansen kan inschatten.

Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank uitsluitend voor zover het de proceskosten betreft en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van € 250 aan proceskosten en € 143 aan griffierechten. Het hoger beroep wordt daarmee gegrond verklaard.

Uitkomst: Het hof vernietigt het deel van de uitspraak over proceskosten en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten conform het compromis.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/1180
uitspraakdatum: 3 februari 2026
Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 15 april 2025, nummer ZWO 23/2656, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan de
regionale belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) voor het jaar 2023 een beschikking ten name van belanghebbende vastgesteld en heeft aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. R. Schalke namens belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] , taxateur.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Ter zitting van de Rechtbank heeft de gemachtigde verklaard dat hij zich kan verenigen met de beschikking van de heffingsambtenaar gelet op de in de beroepsfase ontvangen processtukken. De Rechtbank heeft belanghebbende niet gevolgd in zijn resterende, formele grieven en heeft geoordeeld dat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding bestaat.
2.2.
De gemachtigde van belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben ter zitting van 14 oktober 2025 bij een andere enkelvoudige kamer van dit Hof in drie zaken (zaaknummers BK-ARN 25/232, 25/233 en 25/234), waarin dezelfde geschilpunten aan de orde waren, een compromis bereikt dat zich ook uitstrekt tot onder meer de onderhavige zaak. Dat compromis is neergelegd in uitspraken van het Hof van 28 oktober 2025.
2.3.
In onderhavige zaak betekent het compromis dat belanghebbende zijn grieven in hoger beroep dat:
(i) in de bezwaarfase het inzagerecht van artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht is geschonden,
(ii) de heffingsambtenaar de verplichting van artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft geschonden, en (iii) de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd,
heeft ingetrokken onder de voorwaarden dat de heffingsambtenaar de proceskosten voor de beroeps- en hogerberoepsfase vergoedt tot een bedrag van € 250 en dat de heffingsambtenaar de betaalde griffierechten vergoedt tot een bedrag van in totaal € 143.
2.4.
Een andere enkelvoudige kamer van dit Hof heeft eveneens op 28 oktober 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin dezelfde gemachtigde optrad. [1] Die enkelvoudige kamer verleende een proceskostenvergoeding uitgaande van een wegingsfactor 0,5.

3.Geschil

3.1.
In hoger beroep is in geschil of belanghebbende zich kan beroepen op vernietiging van het onder 2.3 vermelde compromis wegens dwaling. Zo ja, is het antwoord op de in 2.3 vermelde grieven in geschil.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende stelt dat hij bij het sluiten van het compromis heeft gedwaald en meent dat het compromis daarom niet geldt in de onderhavige zaak. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende is gebonden aan het compromis en, voor het geval het Hof hem daarin niet volgt, dat de in 2.3 vermelde grieven niet slagen.
3.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat voor zover in zijn stukken nog andere grieven kunnen worden gelezen, hij die onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig intrekt.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De gemachtigde heeft ter zitting van het Hof aangegeven dat hij heeft gedwaald bij het sluiten van het compromis voor onderhavige zaak, doordat de raadsheer partijen op de zitting van 14 oktober 2025 heeft voorgehouden dat hij, als hij de beroepen gegrond zou verklaren, voor de proceskostenvergoeding een wegingsfactor 0,25 zou hanteren. De gemachtigde heeft naar aanleiding van die voorstelling van zaken uiteindelijk ingestemd met het in 2.3 opgenomen compromis. Als hij had geweten dat een andere enkelvoudige kamer van het Hof een hogere wegingsfactor zou toekennen, dan was hij niet akkoord gegaan met het compromis, aldus de gemachtigde.
4.2.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting bestreden dat sprake is van dwaling. Hij heeft zelf niet gedwaald over de inhoud van het compromis. Een rechter kan in een andere procedure tot een andere proceskostenvergoeding komen. De gemachtigde is bovendien een professionele no-cure-no-pay-procespartij.
4.3.
Uit artikel 6:228, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek volgt – voor zover voor deze procedure van belang – dat een overeenkomst die onder invloed van dwaling tot stand is gekomen én bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar is indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. De omstandigheid dat partijen met betrekking tot een bepaalde kwestie in onzekerheid verkeren en daarom een vaststellingsovereenkomst (compromis) sluiten, sluit een geslaagd beroep op dwaling niet uit. [2]
4.4.
Het is aan belanghebbende, die zich op vernietigbaarheid wegens dwaling beroept, om feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting aannemelijk te maken die tot de conclusie leiden dat sprake is van dwaling. Hof oordeelt dat belanghebbende niet in deze bewijslast is geslaagd en overweegt daartoe als volgt.
4.5.
In dit geval verkeerden beide partijen in onzekerheid over de vraag of het Hof de ter zitting van 14 oktober 2025 besproken formele grieven zou honoreren en zo ja, wat dan de toe te kennen proceskostenvergoeding zou zijn. Dat maakt dat de vraag voorligt of sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken en, zo ja, of de heffingsambtenaar moest begrijpen dat de gemachtigde bij een juiste voorstelling van zaken van het sluiten van het compromis zou hebben afgezien. [3]
4.6.
In de vier hiervoor, onder vaststaande feiten, genoemde uitspraken van 28 oktober 2025 lijkt, zoals belanghebbende stelt, sprake van (vrijwel) gelijkluidende, louter formeelrechtelijke vragen.
4.7.
Het Hof heeft als bijlage bij zijn uitspraak van 20 augustus 2024 het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (hierna: het richtsnoer) gevoegd. In het richtsnoer is, voor zover relevant, het volgende opgenomen [4] :
“(…) De uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. [5] Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. Dit richtsnoer kan daarom slechts als niet-bindende handreiking worden beschouwd. Een afwijking van het richtsnoer vergt geen specifieke motivering. De genoemde voorbeelden zijn indicatief, niet limitatief. (…)
1.2.
Gewicht zeer licht (wegingsfactor 0,25)
Voor een zaak met een zeer gering belang en met een zeer eenvoudig te beslechten geschil (de zaak behoeft slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandsverlener), zou als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,25 kunnen worden aangehouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende gevallen:
(…)
c. Bij zeer eenvoudige vragen over nevenvorderingen of van formeelrechtelijke aard (zoals een evident geschil over een dwangsom of een zaak waarin een tijdig bezwaarschrift over het hoofd is gezien).
(…)
1.3.
Gewicht licht (wegingsfactor 0,5)
Voor een zaak met een gering belang en een eenvoudig geschil, zou als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,5 kunnen worden aangehouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende gevallen:
[…]
b. Bij vragen van formeelrechtelijke aard of over een nevenvordering met enige complexiteit (zoals een niet evidente zaak over de toekenning van een dwangsom, of over rente).”
4.8.
Het Hof stelt voorop dat het streven is in gelijke zaken een gelijke wegingsfactor toe te kennen. Dat laat echter onverlet dat het aan de individuele raadsheer die een zaak behandeld is om een proceskostenvergoeding toe te kennen en de hoogte daarvan te bepalen. Het richtsnoer is bedoeld als een handreiking. Het staat een raadsheer vrij daarvan af te wijken als de individuele zaak daar om vraagt. In dit geval, waarbij in alle vier de zaken formeelrechtelijke vragen aan de orde waren, laat het richtsnoer ruimte om tot een wegingsfactor ‘zeer licht’ of ‘licht’ te komen. Dat, in combinatie met het niet bindende karakter van het richtsnoer, maakt dat niet kan worden gezegd dat het voorhouden van de wegingsfactor 0,25 tijdens de zitting van 14 oktober 2025 als een onjuiste voorstelling van zaken kan worden aangemerkt, ook niet als een andere raadsheer in een andere zaak tot een wegingsfactor 0,5 is gekomen.
4.9.
Ten overvloede merkt het Hof op dat zelfs als het voorhouden van de wegingsfactor 0,25 tijdens de zitting van 14 oktober als een onjuiste voorstelling van zaken zou moeten worden aangemerkt, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de heffingsambtenaar niet had hoeven begrijpen dat de gemachtigde de vaststellingsovereenkomst niet zo zou hebben gesloten. Daarbij is relevant dat de gemachtigde, die namens alle belanghebbenden in de zaken op de zitting van het Hof van 14 oktober 2025 en belanghebbende in de onderhavige zaak handelde, een professionele no-cure-no-payprocespartij in WOZ-zaken is, waarvan verondersteld mag worden dat hij op de hoogte is van de toepasselijke regels en hoogte van proceskostenvergoedingen en dat hij zelf zijn goede en kwade kansen in een WOZ-procedure voldoende kan afwegen.
4.10.
Het voorgaande betekent dat belanghebbende zich voor onderhavige zaak niet met succes kan beroepen op vernietiging van de met de heffingsambtenaar gemaakte afspraken. Daarom zal het Hof oordelen conform het op zitting van 14 oktober 2025 gesloten compromis, zoals opgenomen in 2.3. Er zijn geen overige grieven die bespreking behoeven.
Slotsom
4.11.
Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.

5.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend voor zover het betreft de beslissing omtrent de proceskosten;
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 250, en;
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende de betaalde griffierechten vergoedt tot een bedrag van € 143.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
(G.J. van de Lagemaat) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 28 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6776.
2.Vgl. Hoge Raad 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3129.
3.Vgl. HR 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9250.
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
5.Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293.