ECLI:NL:GHARL:2026:769

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.335.527
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:57 BWArt. 5:70 BWArt. 3:106 BWArt. 3:306 BWArt. 94 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over erfdienstbaarheden en gebruik van toegangspad tussen buren

Jans Holding B.V. is eigenaar van een perceel dat alleen bereikbaar is via een toegangspad tussen de percelen van buren [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]. Er ontstond een geschil over het bestaan en de omvang van erfdienstbaarheden die het gebruik van dit pad regelen.

De rechtbank had reeds een vonnis gewezen waarin onder meer het gebruik van het erf en het toegangspad werd geregeld. Jans Holding stelde hoger beroep in tegen [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2], met gewijzigde vorderingen waaronder het verbod op bepaalde gebruiksvormen en het ontruimen van het pad.

Het hof oordeelde dat er geen erfdienstbaarheid rust op het perceel van [geïntimeerde1], mede omdat de historische akte uit 1884 eerder wijst op mandeligheid dan op erfdienstbaarheid. Tegen [geïntimeerde2] rust wel een erfdienstbaarheid, maar het gebruik daarvan is beperkt tot een strook van ongeveer 1,20 meter breed. Het hof wees het hoger beroep tegen [geïntimeerde1] af en gaf gedeeltelijk gelijk aan Jans Holding tegen [geïntimeerde2], onder meer door het verbod op het gebruik van het erf voor houtbewerking te bevestigen en het ontruimen van het toegangspad te gelasten.

Verder wees het hof het verzoek tot aanwijzing van een noodweg af, omdat Jans Holding voldoende toegang heeft via de bestaande erfdienstbaarheid en het persoonlijk gebruik dat [geïntimeerde1] toestaat. De proceskostenveroordelingen werden aangepast en de veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen [geïntimeerde1] wordt afgewezen en tegen [geïntimeerde2] gedeeltelijk toegewezen met beperkingen aan het gebruik van het toegangspad en proceskostenveroordelingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.335.527
zaaknummer rechtbank Gelderland 411136
arrest van 10 februari 2026
in de zaak van
Jans Holding B.V. (Jans Holding)
die is gevestigd in Dieren
advocaat: mr. B. van Treijen
en

1.[geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )

die woont in [woonplaats]
2. [geïntimeerde2] ( [geïntimeerde2] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. S.H. van Loon

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Jans Holding heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 16 augustus 2023 in conventie tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het vonnis). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • het arrest van het hof van 23 januari 2024
  • het verslag (proces-verbaal) van plaatsopneming/bezichtiging en mondelinge behandeling ter plaatse van 23 april 2024
  • de memorie van grieven met wijziging van eis
  • de memorie van antwoord
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling die op 6 mei 2025 is gehouden en de daarin genoemde nadere stukken.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn buren en hebben een geschil over de vraag wie op welke wijze van de aan elkaar grenzende erven gebruik mag maken.
2.2.
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep tegen [geïntimeerde1] niet slaagt en dat het hoger beroep tegen [geïntimeerde2] voor een deel slaagt. Het hof licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank in stand en beslist in aanvulling daarop.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De procedure bij de rechtbank is door Jans Holding ingesteld tegen [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [naam1] . [naam1] is in hoger beroep geen partij meer.
3.2.
Jans Holding heeft bij de rechtbank gevorderd om
I. [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [naam1] te bevelen om hun zaken binnen 14 dagen na het vonnis van het erf van Jans Holding te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag,
II. [geïntimeerde2] te verbieden om het erf van Jans Holding anders te gebruiken dan het komen en gaan vanuit zijn woning naar [straatnaam1] — daaronder mede begrepen het verbod om het erf van Jans Holding te gebruiken voor houtbewerking en om van zijn erf naar het erf van [adres1] te lopen — op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat het verbod overtreden wordt,
III. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te bevelen om het pad tussen hun woonhuizen binnen 14 dagen na het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, zodat Jans Holding uit hoofde van haar erfdienstbaarheidsrecht de ongehinderde toegang over de volle breedte krijgt en houdt, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat er hindernissen staan in de dat pad;
IV. voorwaardelijk, voor zover de rechtbank de vordering onder III. niet zou toewijzen, het pad tussen de gevels van dg erven van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] aan te wijzen als noodweg ten dienste van het erf van Jans Holding, en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te bevelen om het pad tussen hun woonhuizen binnen 14 dagen na het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, zodat Jans Holding de ongehinderde toegang over de volle breedte krijgt en houdt, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat er hindernissen staan in de dat pad,
met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [naam1] in de proceskosten.
3.3.
De rechtbank heeft (samengevat)
I. [geïntimeerde2] en [naam1] veroordeeld om hun roerende zaken van het erf van Jans Holding te verwijderen en verwijderd te houden, op verbeurte van een dwangsom,
II. [geïntimeerde2] verboden om het erf van Jans Holding te gebruiken voor houtbewerking,
III. Jans Holding veroordeeld om de proceskosten van [geïntimeerde1] te betalen,
IV. [geïntimeerde2] en [naam1] hoofdelijk veroordeeld om de proceskosten van Jans Holding te betalen.
De rechtbank heeft de overige vorderingen van Jans Holding en de vorderingen van [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [naam1] afgewezen. De rechtbank heeft de overige vorderingen van Jans Holding afgewezen. [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [naam1] hadden in reconventie diverse vorderingen ingesteld tegen Jans Holding die door de rechtbank zijn afgewezen en in hoger beroep niet meer aan de orde zijn.

4.De vorderingen in hoger beroep

4.1.
Jans Holding heeft in hoger beroep haar eis (tegen [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ) gewijzigd. Zij vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis en:
I. [geïntimeerde2] , te verbieden om het erf van Jans Holding anders te gebruiken dan het komen en gaan vanuit zijn woning naar [straatnaam1] – daaronder mede begrepen het verbod om het erf van Jans te gebruiken voor houtbewerking en om van zijn erf naar het erf van [adres1] te lopen – op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat het verbod wordt overtreden; en
II. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te bevelen om het pad tussen hun woonhuizen te binnen 14 dagen na het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden wegens het bestaan van een erfdienstbaarheidsrecht, zodat eiseres uit hoofde van haar erfdienstbaarheidsrecht de ongehinderde toegang over de volle breedte krijgt en houdt, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat er hindernissen staan in dat pad; en
voorwaardelijk, voor het geval het pad volgens het hof niet over de breedte tussen de gevels onder het bereik van een erfdienstbaarheidsrecht zou vallen;
III. het pad tussen de gevels van de erven van geïntimeerden aan te wijzen als noodweg ten dienste van het erf van Jans Holding en geïntimeerden te bevelen om het pad tussen hun woonhuizen te binnen 14 dagen na het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, zodat eiseres de ongehinderde toegang over de volle breedte krijgt en houdt, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat er hindernissen staan in dat pad;
en zowel onvoorwaardelijk als voorwaardelijk,
IV. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te veroordelen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en daarbij [geïntimeerde1] te veroordelen tot terugbetaling van de ontvangen proceskostenveroordeling van € 1.510.

5.De feiten waar het hof vanuit gaat

5.1.
Jans Holding is sinds 30 maart 2017 eigenaar van het perceel met adres [adres2] , [perceelnummer1] . Jans Holding drijft een onderneming op het gebied van assessments, coaching en creatieve workshops. Zij gebruikt het pand aan [adres2] onder meer als atelier en werkplaats voor onder meer metaalbewerking.
5.2.
[geïntimeerde1] is eigenaar van het perceel met adres [adres3] , [perceelnummer2] .
[geïntimeerde2] is eigenaar van het perceel met adres [adres4] , [perceelnummer3] .
[naam1] is eigenaar van het perceel met adres [adres5] , [perceelnummer4] .
5.3.
Ter verduidelijking wordt hierna een deel van de kadastrale kaart met de
perceelnummers en adresnummers weergegeven. Aan de rechterzijde van de afbeelding loopt [straatnaam1] .
:·>:_;,
1
5.4.
Aan de voorzijde van het pand van Jans Holding ligt een strook verhard erf, dat aansluit op de achterzijde van de erven van [geïntimeerde1] c.s. Op het perceel van Jans Holding zijn erfdienstbaarheden gevestigd op grond waarvan [geïntimeerde2] , [naam1] en de eigenaar van [adres1] over het erf van Jans Holding van en naar de openbare weg ( [straatnaam1] ) mogen gaan.
5.5.
Het erf van Jans Holding heeft geen eigen verbinding met [straatnaam1] . Haar perceel is bereikbaar over het verharde deel van de erven van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] dat tussen de huizen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] loopt tot aan het erf van Jans Holding (hierna: het toegangspad).
5.6.
De toegang tot de woning van [geïntimeerde1] (de voordeur) lag tot 1992 aan de zijkant van zijn woning en kwam toen uit op het toegangspad. Sinds 1992 ligt de toegang tot de woning van [geïntimeerde1] aan de kant van [straatnaam1] . [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben onder meer kleine hekjes, planten, afvalbakken en een houtopslag geplaatst aan de zijkant van hun woningen op het toegangspad.
5.7.
Jans Holding heeft het perceel op 30 maart 2017 verkregen van [naam2] . [naam2] heeft het perceel in 1996 verkregen en vestigde daar zijn bedrijf Forrest Media Productions. Op het perceel van Jans Holding was voordat [naam2] de eigendom verkreeg een kringloopwinkel gevestigd. Met toestemming van [naam2] zijn [geïntimeerde2] en [naam1] een deel van het verharde erf aan de voorzijde van het perceel van (destijds) [naam2] gaan gebruiken voor het plaatsen van onder meer afvalbakken en fietsen. Verder heeft [geïntimeerde2] toestemming gekregen van de eigenaar van het perceel met adres [adres1] om het achterste deel van diens garage te gebruiken voor houtbewerking. De toegang tot dat deel van de garage ligt aan het verharde erf van het perceel van Jans Holding.

6.De toelichting op de beslissing van het hof

Geen processueel ondeelbare rechtsverhouding
6.1.
[geïntimeerde2] heeft er allereerst op gewezen dat in zijn ogen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding tussen hem en [naam1] . Volgens [geïntimeerde2] had Jans Holding daarom ook [naam1] in hoger beroep moeten dagvaarden. Nu zij dat niet heeft gedaan, is Jans Holding volgens [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] niet-ontvankelijk in haar vorderingen, althans dient de vordering met betrekking tot de proceskosten buiten beschouwing te worden gelaten.
6.2.
Het hof volgt [geïntimeerde2] hierin niet. Van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is sprake, indien het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing over die rechtsverhouding ten aanzien van alle betrokkenen hetzelfde luidt. Indien daarvan sprake is, moet het hof Jans Holding eerst de gelegenheid geven om [naam1] alsnog in dit hoger beroep te betrekken. Het hof kan Jans Holding niet direct niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen. Het hof beslist echter dat geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dat de rechtbank [geïntimeerde2] en [naam1] in 7.5 van het vonnis hoofdelijk heeft veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Jans Holding in conventie en dat Jans Holding in hoger beroep vordert dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Jans Holding in eerste aanleg, is onvoldoende grond om te beslissen dat van een processueel ondeelbare rechtsverhouding sprake is. Het is rechtens immers niet noodzakelijk dat een beslissing over de proceskosten voor alle betrokkenen gelijkluidend is. Een redelijke uitleg van de vordering van Jans Holding zoals die in hoger beroep luidt, brengt mee dat de gevorderde veroordeling tot betaling van de proceskosten uit de eerste aanleg alleen betrekking heeft op dat deel dat niet reeds valt onder de tegen [naam1] uitgesproken proceskostenveroordeling.
Geen misbruik van recht of strijd met de goede procesorde
6.3.
[geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] stellen verder dat de eiswijziging in hoger beroep, in het bijzonder de gewijzigde vordering over de proceskosten in eerste aanleg, gelet op de in het vonnis in 7.1 en 7.5 uitgesproken veroordelingen misbruik van recht is, althans in strijd met de goede procesorde.
6.4.
Gelet op de uitleg van de vordering in hoger beroep, zoals het hof die hiervoor gegeven heeft, is geen sprake van misbruik van recht of strijdigheid met de goede procesorde.
Er rust geen erfdienstbaarheid op het perceel van [geïntimeerde1]
6.5.
Jans Holding stelt dat er in een notariële akte uit 1884 ten laste van het perceel van [geïntimeerde1] en ten behoeve van het perceel van Jans Holding een erfdienstbaarheid is gevestigd. De tekst in de oorspronkelijke handgeschreven akte is moeilijk leesbaar en voor het hof niet eenduidig vast te stellen. Vast staat dat het Kadaster onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van erfdienstbaarheden en daarbij de tekst uit de akte van 1884 als volgt heeft vastgesteld:

De gang gelegen tusschen de twee blokken van den straaten zal evenals de pomp daarstaande gezamenlijk eigendom worden van verkooper en kooper en ten dienste van de beide blokken gebruikt worden en moeten door hen beide voor gezamenlijke rekening worden onderhouden.
Die gang zal ook kunnen gebruikt worden voor het erf van verkooper thans in huur bij [naam3] .
Net zoals partijen, gaat het hof er vanuit dat dit de tekst van de akte uit 1884 weergeeft.
6.6.
Het hof stelt het volgende voorop.
Een erfdienstbaarheid is een last waarmee een onroerende zaak ten behoeve van een andere onroerende zaak is bezwaard (art. 5:70 BW Pro). Volgens vaste jurisprudentie komt het bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van een bij notariële akte gevestigde erfdienstbaarheid aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele akte.
6.7.
De eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of er in de akte uit 1884 een erfdienstbaarheid is gevestigd. Het hof heeft dit met partijen besproken tijdens de mondelinge behandeling van 6 mei 2025. De tekst van de akte wijst er niet op dat is bedoeld een erfdienstbaarheid te vestigen. De beschreven gang tussen de twee blokken van straten en de daar staande pomp blijven volgens die akte immers gezamenlijk eigendom van de verkoper en koper, moeten door de verkoper en koper gezamenlijk onderhouden worden en de gang mag door hen beiden gebruikt worden. Een dergelijke omschrijving wijst meer op het creëren van mandeligheid, dan op het vestigen van een erfdienstbaarheid. Vervolgens is bepaald dat ook de eigenaar, althans huurder, van het perceel dat wordt gehuurd door [naam3] van de gang gebruik mag maken. Onduidelijk is of hiermee is bedoeld een erfdienstbaarheid te vestigen of een persoonlijk gebruiksrecht te beschrijven. Welk perceel ten tijde van het opmaken van deze akte door [naam3] werd gehuurd is niet duidelijk. Maar ook als dat het perceel was, dat nu van Jans Holding is en als in de akte bedoeld is een erfdienstbaarheid ten behoeve van dat perceel te vestigen, is onduidelijk ten laste van welke (huidige) percelen die erfdienstbaarheid dan is gevestigd.
6.8.
Jans Holding erkent dat de percelen [adres2] , [adres4] , [adres5] en [adres1] tot 1978 dezelfde eigenaar hadden. In 1978 is vervolgens perceel [adres4] verkocht aan de rechtsvoorganger van [geïntimeerde2] en dat was de reden om op het perceel van [geïntimeerde2] een erfdienstbaarheid ten behoeve van perceel [adres2] te vestigen. Ook als er in 1884 een erfdienstbaarheid is gevestigd op het perceel [adres4] ten behoeve van perceel [adres2] , is die erfdienstbaarheid op enig moment door vermenging teniet gegaan toen de percelen [adres2] en [adres4] dezelfde eigenaar kregen. Op de inhoud van de in 1978 gevestigde erfdienstbaarheid komt het hof hierna terug.
6.9.
Volgens [geïntimeerde1] mag Jans Holding op grond van een persoonlijk recht gebruik maken van een gedeelte van zijn perceel, bestaande uit een strook over de gehele lengte van het pad van twee stoeptegels van ieder 30x30 cm vanuit het midden van het pad. De door [geïntimeerde1] in het toegangspad geplaatste zaken staan dit gebruik niet in de weg. [geïntimeerde1] betwist dat op zijn perceel een erfdienstbaarheid rust ten behoeve van het perceel van Jans Holding. Voor zover er in 1884 een erfdienstbaarheid is gevestigd ten laste van wat nu zijn perceel is en ten behoeve van de eigenaar van wat nu het perceel is van Jans Holding, is die erfdienstbaarheid volgens [geïntimeerde1] bedoeld om te komen en te gaan naar de waterpomp die daar destijds stond. In die tijd was het gezamenlijk gebruiken van een waterpomp nog gangbaar. Die waterpomp is in 1920 op grond van landelijk beleid weggehaald. Vervolgens kon de erfdienstbaarheid niet meer worden gebruikt en is die rond 1950 teniet gegaan. Dit wordt volgens [geïntimeerde1] bevestigd door de brief van het Kadaster van 24 augustus 2022.
6.10.
Het hof beslist dat op het perceel van [geïntimeerde1] geen erfdienstbaarheid ten behoeve van het perceel van Jans Holding is gevestigd. Het hof heeft uitvoerig met partijen gesproken over de historie van de percelen en de daarop gebouwde opstallen, maar voor het hof is niet voldoende duidelijk dat met “
de gang gelegen tusschen de twee blokken van den straaten” het toegangspad is bedoeld dat nu tussen de woning van [geïntimeerde1] en de woning van [geïntimeerde2] ligt. Evenmin is aan de hand van de stukken te herleiden dat “
het erf van verkooper thans in huur bij [naam3]” hetzelfde is als het perceel van Jans Holding. In ieder geval heeft Jans Holding tegenover het verweer van [geïntimeerde1] onvoldoende onderbouwd dat in die akte een erfdienstbaarheid is gevestigd die ertoe strekt aan de eigenaar van het perceel dat nu van Jan Holding is het zakelijk recht te verschaffen om over een gedeelte van het perceel van [geïntimeerde1] te komen en te gaan van en naar [straatnaam1] . Daarbij is van belang dat [geïntimeerde1] heeft gesteld dat – zo er al een erfdienstbaarheid is gevestigd – het doel daarvan was om de bestaande waterpomp te kunnen gebruiken en dat die erfdienstbaarheid door die niet te gebruiken gedurende 30 jaar onder het destijds geldende recht is teniet gegaan. Jans Holding heeft onvoldoende uitgelegd dat de tekst van de akte uit 1884 ziet op het kunnen uitwegen naar [straatnaam1] en niet op het kunnen gebruiken van de waterpomp. Jans Holding heeft ook niet onderbouwd op welke manier er na de akte van 1884 ten laste van het perceel van [geïntimeerde1] een erfdienstbaarheid van (uit)weg of (over)pad is gevestigd. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft Jans Holding gesteld dat een dergelijke erfdienstbaarheid is ontstaan door bevrijdende verjaring. Aan die stelling gaat het hof voorbij, omdat die stelling in strijd met de zogenoemde twee-conclusie-regel niet eerder dan bij de mondelinge behandeling op 6 mei 2025 is ingenomen. Omdat Jans Holding onvoldoende aan haar stelplicht heeft voldaan, komt het hof niet toe aan bewijslevering.
6.11.
Jans Holding heeft onvoldoende betwist dat de door [geïntimeerde1] in het toegangspad geplaatste zaken het gebruik van de eerste 60 cm van het perceel van [geïntimeerde1] vanaf de erfgrens met [geïntimeerde2] niet verhinderen. Omdat er geen erfdienstbaarheid op het perceel van [geïntimeerde1] rust is er onder die omstandigheden geen grond voor toewijzing van de vordering tot ontruiming van het toegangspad tegen [geïntimeerde1] .
De omvang van de erfdienstbaarheid die op het perceel van [geïntimeerde2] rust ten behoeve van het perceel van Jans Holding
6.12.
Voor zover Jans Holding stelt dat in de akte uit 1884 ten behoeve van haar perceel een erfdienstbaarheid om te komen en te gaan naar [straatnaam1] is gevestigd ten laste van het perceel van [geïntimeerde2] , welke erfdienstbaarheid loopt over het toegangspad tussen de woning van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] , volgt uit de beslissing die het hof hiervoor in 6.10 heeft gegeven dat een dergelijke erfdienstbaarheid niet uit die akte is af te leiden. De daar namens [geïntimeerde1] vermelde argumenten worden namelijk ook door [geïntimeerde2] aangevoerd.
6.13.
Jans Holding en [geïntimeerde2] zijn het erover eens dat er in 1978 op hun percelen een erfdienstbaarheid is gevestigd die luidt:
"
Een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve en ten laste van het bij deze verkochte en
ten behoeve en ten laste van het aan verkoper in eigendom verblijvende deel van gemeld perceel kadastraal bekend (..) nummer [perceelnummer5] alsmede (..) [perceelnummer6] om te komen van en te gaan
naar de openbare weg: [straatnaam1] , op de thans bestaande wijze.
In de notariële akte is in de eerste zin van de opgenomen erfdienstbaarheid het woord “
weg” doorgehaald en is in de kantlijn handgeschreven opgenomen dat dit woord wordt vervangen door het woord “
pad”.
6.14.
Gegeven het oordeel van het hof dat op het perceel van [geïntimeerde1] geen erfdienstbaarheid ten behoeve van het perceel van Jans Holding rust, kan het pad waarop de erfdienstbaarheid ziet die in 1978 is gevestigd, niet breder zijn dan ongeveer 1,20 meter, namelijk vanaf de zijgevel van de woning van [geïntimeerde2] tot aan de erfgrens van zijn perceel die in het midden van de gang tussen de woning van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] loopt. Dit feitelijk gegeven betekent dat Jans Holding niet op grond van de erfdienstbaarheid die op het perceel van [geïntimeerde2] rust gebruik kan maken van het toegangspad met een auto of ander voertuig dat breder is dan 1,20 meter. Het doorhalen van het woord “
weg” en het vervangen daarvan door het woord “
pad” sluit daar naar het oordeel van het hof ook bij aan. Of bij het vestigen van de erfdienstbaarheid ook de bedoeling van de destijds betrokken partijen was dat daarmee werd aangegeven dat de erfdienstbaarheid niet bedoeld was om te worden gebruikt met auto’s en andere voertuigen en – vooral – of die betekenis op basis van een objectieve uitleg van de vestigingsakte uit de tekst van de erfdienstbaarheid blijkt, kan op grond van de feitelijke situatie in het midden blijven. Gebruik van de erfdienstbaarheid die op het perceel van [geïntimeerde2] rust is niet mogelijk met een (bestel)auto of aanhangwagen, omdat die breder zijn dan 1,20 meter. Dat gebruik met een handkar is toegestaan betwist [geïntimeerde2] niet (voldoende).
6.15.
[geïntimeerde2] erkent dat de in 1978 gevestigde erfdienstbaarheid Jans Holding het recht geeft om het toegangspad te gebruiken voor zover dat op zijn perceel ligt. Dit houdt in het (gedeelte van het) toegangspad dat loopt vanaf de erfgrens met [geïntimeerde1] tot aan de gevel van zijn woning en vervolgens achter zijn woning doorloopt tot aan de achterzijde van zijn perceel. Volgens [geïntimeerde2] is dit gedeelte ongeveer 1,20 meter breed (vier stoeptegels van 30x30 cm). [geïntimeerde2] stelt dat hij dit recht in overleg met alle betrokken partijen heeft verlegd naar het midden van de gang tussen de woningen. Het hof beslist dat [geïntimeerde2] niet de op zijn perceel rustende erfdienstbaarheid kan verleggen naar een erfdienstbaarheid die deels op het perceel van [geïntimeerde1] rust. Daar bestaat geen wettelijke grondslag voor.
6.16.
[geïntimeerde2] stelt ook dat de erfdienstbaarheid gedurende meer dan 20 jaar is uitgeoefend door gebruik te maken van een strook grond van 1,20 meter in het midden van de gang tussen zijn woning en de woning van [geïntimeerde1] . Dat betekent volgens [geïntimeerde2] dat de op zijn perceel ten behoeve van het perceel van Jans Holding rustende erfdienstbaarheid in de gang tussen de woningen is beperkt tot twee stoeptegels (van 2 x 30 cm) breed vanuit de erfgrens van zijn perceel in het midden van het toegangspad tussen de woningen. Volgens [geïntimeerde2] is daardoor het recht van Jans Holding om uitoefening van de erfdienstbaarheid over de volle 1,20 meter over het perceel van [geïntimeerde2] te mogen uitoefenen verjaard. [geïntimeerde1] is met [geïntimeerde2] eens dat het toegangspad ten behoeve van het perceel van Jans Holding altijd in het midden tussen zijn woning en de woning van [geïntimeerde2] is gebruikt. [naam2] en zijn rechtsvoorgangers deden dat op die manier en [geïntimeerde1] staat een dergelijk gebruik van zijn perceel toe. Volgens [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is de feitelijke situatie sinds 1936 zo geweest. Jans Holding stelt dat het pad tussen de woningen van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] over de hele breedte vrij is gehouden gedurende de periode dat in haar pand de kringloopwinkel gevestigd was. Volgens Jans Holding is het toegangspad daarna versmald.
6.17.
Omdat [geïntimeerde2] zich op de rechtsgevolgen van zijn stellingen beroept, moet hij voldoende feiten stellen – en bij betwisting bewijzen – die tot de conclusie kunnen leiden dat de erfdienstbaarheid gedurende ten minste 20 jaar niet is uitgeoefend over zijn perceel buiten de twee stoeptegels (60 cm) vanuit de erfgrens met het perceel van [geïntimeerde1] .
6.18.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [geïntimeerde2] verklaard dat aanvankelijk niet op basis van uiterlijke kenmerken voor de toenmalige eigenaar van het perceel van Jans Holding waarneembaar was dat het toegangspad was beperkt tot een ruimte van 1,20 meter die voor de helft op het perceel van [geïntimeerde1] liep en voor de helft op het perceel van [geïntimeerde2] . Voor het beroep op verjaring is dit van belang, omdat voor de eigenaar van het perceel van Jans Holding daardoor niet te zien was dat een met de erfdienstbaarheid strijdige situatie bestond. In die periode kan daarom niet een verjaringstermijn zijn gestart ten aanzien van de vordering tot opheffing van een dergelijke met de erfdienstbaarheid strijdige situatie.
6.19.
Volgens Jans Holding is het toegangspad in ieder geval tot 1996 (toen [naam2] het perceel verkreeg) over de hele breedte tussen de woningen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] toegankelijk geweest. [geïntimeerde2] zal dus concrete feiten moeten stellen, waaruit voor (de toenmalige eigenaar van het perceel van) Jans Holding duidelijk moet zijn geweest dat er sprake was van een onrechtmatige, met de erfdienstbaarheid strijdige, situatie waarvan zij als eigenaar van het heersend erf de opheffing kon vorderen. In de dagvaarding van 16 augustus 2022 stelt Jans Holding hierover dat [naam2] zijn intrek nam in het pand op zijn perceel op 1 november 1996. Volgens [geïntimeerde2] ontving [naam2] nauwelijks klanten. Verder stelt Jans Holding dat het toegangspad nadat [naam2] daar zijn bedrijf had gevestigd door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] langzaam meer werd verdicht met een hekje, eigen schutting en afvalbakken. Later hebben zij volgens Jans Holding in die dagvaarding ook wat planten en wat hout- en hekwerk in het toegangspad geplaatst. In punt 17 van de memorie van antwoord erkent [geïntimeerde2] dat Jans Holding in september 2019 over het gebruik van het toegangspad door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] heeft geklaagd. Dat betekent dat de verjaringstermijn van 20 jaar voor het moment van klagen in september 2019 moet zijn voltooid. Omdat [geïntimeerde2] niet voldoende heeft betwist dat het toegangspad over de hele breedte tussen de woningen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] gebruikt kon worden, tot in ieder geval het moment dat [naam2] zijn bedrijf aan [adres2] vestigde, kan de verjaringstermijn niet eerder gestart zijn dan op enig moment na 1 november 1996.
6.20.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is met partijen gesproken over de door [geïntimeerde2] geplaatste elementen die de uitoefening van de erfdienstbaarheid ten behoeve van het perceel van Jans Holding belemmerden. Alleen met betrekking tot de door [geïntimeerde2] geplaatste schutting is voldoende duidelijk geworden wanneer deze is geplaatst. Dat was volgens [geïntimeerde2] in 1983 en die schutting versmalt het toegangspad ten opzichte van het deel dat tussen de woningen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] is gelegen met ongeveer 45 cm (anderhalve stoeptegel). Dat belemmert de uitoefening van de erfdienstbaarheid ten opzichte van de situatie in 1978 op een voor de eigenaar van het perceel van Jans Holding kenbare wijze. De verjaring waarop [geïntimeerde2] zich beroept is ingevoerd in 1992 (artikel 3:106 BW Pro in samenhang met artikel 3:306 BW Pro). Van een gedeeltelijk niet gebruik van de erfdienstbaarheid (non-usus genoemd onder het oude recht) gedurende ten minste 30 jaar was toen nog lang geen sprake. Dat betekent op grond van artikel 94 Overgangswet Pro Nieuw Burgerlijk Wetboek dat artikel 3:106 BW Pro vanaf 1 januari 1993 van toepassing is. De sindsdien geldende verjaringstermijn van 20 jaar is voltooid in 2003 en derhalve ruim voordat Jans Holding haar perceel verkreeg en over de belemmeringen in het toegangspad klaagde. Voor zover de vordering van Jans Holding ook ziet op het verwijderen van de schutting, kan dat deel van die vordering niet worden toegewezen.
6.21.
Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde2] voor het overige onvoldoende concreet gesteld wanneer hij na 1 november 1996 welke belemmeringen in het toegangspad heeft geplaatst en wanneer voor de eigenaar van het perceel van Jans Holding duidelijk moet zijn geweest dat sprake was van een met de erfdienstbaarheid strijdige (onrechtmatige) toestand waarvan de opheffing gevorderd kon worden. Omdat [geïntimeerde2] op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Daardoor kan het hof niet vaststellen dat op het moment dat Jans Holding klaagde over de andere obstakels dan de schutting in het toegangspad al gedurende een periode van ten minste 20 jaar een rechtsvordering tot opheffing van een met de erfdienstbaarheid strijdige toestand bestond. In zoverre is de vordering van Jans Holding tot verwijdering van obstakels in het toegangspad tegen [geïntimeerde2] toewijsbaar. Het hoger beroep slaagt dus op dit punt.
De omvang van de erfdienstbaarheid die op het perceel van Jans Holding rust ten behoeve van het perceel van [geïntimeerde2]
6.22.
Jans Holding erkent dat op haar perceel een erfdienstbaarheid rust ten behoeve van
– onder meer – het perceel van [geïntimeerde2] , die [geïntimeerde2] het recht geeft om van zijn perceel naar [straatnaam1] te gaan en van [straatnaam1] naar zijn perceel. De rechtbank heeft beslist dat [geïntimeerde2] niet het recht heeft om het erf van Jans Holding te gebruiken voor houtbewerking. Jans Holding vordert in hoger beroep opnieuw dat [geïntimeerde2] wordt verboden om haar erf voor houtbewerking te gebruiken. Haar eis is op dit onderdeel niet gewijzigd ten opzichte van de eis die zij bij de rechtbank instelde. Omdat de rechtbank dit onderdeel van haar vordering al heeft toegewezen en [geïntimeerde2] geen hoger beroep hiertegen heeft ingesteld, heeft Jans Holding geen belang bij dit onderdeel van haar vordering in hoger beroep. In hoger beroep ligt nog wel voor of [geïntimeerde2] via het perceel van Jans Holding van en naar de garage behorend bij [adres1] mag komen en gaan, zoals hij sinds 2018 feitelijk doet.
6.23.
[geïntimeerde2] moet de erfdienstbaarheid om te komen van en te gaan naar [straatnaam1] op de voor Jans Holding minst bezwarende wijze uitoefenen. Dat betekent onder meer dat hij vanuit de tuin van zijn perceel via de kortste route naar [straatnaam1] moet gaan en via de kortste route van [straatnaam1] naar zijn achtertuin. Dat omvat niet dat hij vanuit zijn tuin achter het erf van [adres5] en [adres1] langs over het perceel van Jans Holding naar de garage behorend bij [adres1] mag gaan en vervolgens weer terug van die garage via het perceel van Jans Holding naar zijn eigen perceel. [geïntimeerde2] heeft nog aangevoerd dat de erfdienstbaarheid die op het perceel van Jans Holding rust ook strekt ten behoeve van het perceel [adres1] en dat hij op grond van die erfdienstbaarheid van zijn perceel van en naar de garage behorend bij [adres1] mag komen en gaan. Ook daar gaat het hof niet in mee. Jans Holding heeft niet betwist dat er ten laste van haar perceel een erfdienstbaarheid om te komen van en te gaan naar [straatnaam1] rust die ook strekt ten behoeve van het perceel [adres1] . Jans Holding voert terecht aan dat die erfdienstbaarheid niet meebrengt dat de gebruikers van perceel [adres1] en de gebruikers van het perceel van [geïntimeerde2] via het perceel van Jans Holding naar elkaars percelen mogen gaan. Een dergelijk gebruik houdt een verzwaring van de bestaande erfdienstbaarheden in die Jans Holding niet hoeft te dulden. De gevestigde erfdienstbaarheid regelt alleen de mogelijkheid om te komen van en te gaan naar het perceel van [geïntimeerde2] vanaf [straatnaam1] en kennelijk geldt eenzelfde erfdienstbaarheid ten behoeve van het perceel [adres1] . Door daarnaast ook verkeersbewegingen toe te staan tussen die beide percelen, zal het gebruik van het perceel van Jans Holding toenemen. Dat hoeft Jans Holding niet toe te staan. Dit brengt mee dat [geïntimeerde2] niet vanuit zijn tuin over het perceel van Jans Holding naar de garage behorend bij [adres1] mag en vanuit die garage via het perceel van Jans Holding weer terug naar zijn eigen tuin. Het hoger beroep slaagt op dit punt.
Geen reden om een noodweg aan te wijzen
6.24.
Jans Holding heeft voor het geval het hof tot het oordeel komt dat het pad tussen de woningen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] niet over de volle breedte onder het bereik van een erfdienstbaarheid zou vallen, gevorderd dat het toegangspad tussen de woningen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] wordt aangewezen als noodweg en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] vervolgens te veroordelen die noodweg te ontruimen en ontruimd te houden.
6.25.
Het hof stelt in dit verband voorop.
De eigenaar van een erf dat geen behoorlijke toegang heeft tot een openbare weg (of een openbaar vaarwater), kan van de eigenaars van de naburige erven te allen tijde aanwijzing van een noodweg ten dienste van zijn erf vorderen, tegen vooraf te betalen of te verzekeren vergoeding van de schade die hun door de noodweg wordt berokkend (artikel 5:57 lid 1 BW Pro). Voor het antwoord op de vraag of een noodweg moet worden aangewezen is in het algemeen beslissend of bij het ontbreken van die noodweg een behoorlijke exploitatie van het ingesloten erf bij een normale exploitatie, van de aard als het erf in het gegeven geval heeft, niet mogelijk is. Aanwijzing van een noodweg kan ook worden gevorderd indien er al een uitweg bestaat, maar een behoorlijke exploitatie van het erf bij een normale bestemming niet mogelijk is. Beschikt de eigenaar reeds over een voldoende uitweg, bijvoorbeeld krachtens een recht van erfdienstbaarheid of een reeds voor 1 januari 1992 bestaande buurweg, dan kan hij op art. 5:57 BW Pro geen beroep doen.
6.26.
In deze zaak staat vast dat Jans Holding haar perceel kan bereiken via een recht van erfdienstbaarheid waarmee het perceel van [geïntimeerde2] is belast. Die erfdienstbaarheid rust op een gedeelte van het perceel van [geïntimeerde2] dat tot aan de schutting ongeveer 1,20 meter breed is en daarna versmalt tot ongeveer 0,75 meter. Vast staat ook dat [geïntimeerde1] toestaat dat Jans Holding over een strook van 60 cm breed van zijn perceel gebruik maakt. Bij de vraag of aanwijzing van een noodweg noodzakelijk is, moet een dergelijk persoonlijk recht worden betrokken. Het hof beslist dat Jans Holding onvoldoende heeft onderbouwd dat een behoorlijke exploitatie van haar perceel zonder een meeromvattende toegang tot haar perceel niet mogelijk is. Het hof licht dat hierna toe.
6.27.
De rechtbank heeft de vordering van Jans Holding op dit onderdeel afgewezen. In de toelichting op haar grief hiertegen stelt Jans Holding het volgende. Jans Holding is afhankelijk van het toegangspad om van en naar haar erf de openbare weg te bereiken. Het toegangspad is voor Jans Holding van essentieel belang. Er rust een bedrijfsbestemming met werkplaatsfunctie op het perceel en zo wordt het perceel volgens Jans Holding ook feitelijk gebruikt. Jans Holding stelt verder dat het “
absoluut onvoldoende[is]
om alleen te voet over de zooi van geïntimeerden te tijgeren. Jans Holding heeft ongehinderde toegang nodig en wordt nu feitelijk zeer gehinderd om haar enige toegangsweg te kunnen gebruiken.” Deze stellingen zijn onvoldoende om te rechtvaardigen dat de bestaande toegang via de op het perceel van [geïntimeerde2] rustende erfdienstbaarheid en het persoonlijk gebruik dat [geïntimeerde1] toestaat niet volstaan voor een behoorlijke exploitatie van het perceel van Jans Holding. In het bijzonder heeft Jans Holding hiermee niet voldoende uitgelegd dat een behoorlijke exploitatie meebrengt dat zij met (bestel)auto’s of aanhangwagens van het toegangspad gebruik moet kunnen maken. Evenmin heeft Jans Holding voldoende onderbouwd dat een behoorlijke exploitatie van haar perceel meebrengt dat [naam4] of een cursist objecten moet kunnen maken die zo groot zijn dat voor het vervoer daarvan naar de openbare weg de gehele breedte tussen de woningen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] beschikbaar moet zijn. Voor aanwijzing van een noodweg is op grond van het voorgaande geen aanleiding.
De conclusie
6.28.
Het hoger beroep tegen [geïntimeerde1] slaagt niet. Omdat Jans Holding tegenover hem in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Jans Holding tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van [geïntimeerde1] veroordelen. Het hof zal deze proceskosten voor wat betreft het salaris van de advocaat begroten op de helft van de proceskosten van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
6.29.
Het hoger beroep tegen [geïntimeerde2] slaagt gedeeltelijk. Omdat partijen behoefte hebben aan een duidelijke omschrijving van hun wederzijdse rechten en plichten, zal het hof de vorderingen in zijn eigen woorden toewijzen voor zover dat uit de beoordeling in dit arrest voortvloeit. Aan de veroordelingen zal het hof lagere dwangsommen verbinden dan door Jans Holding is gevorderd. Omdat Jans Holding en [geïntimeerde2] in dat deel van het hoger beroep allebei gedeeltelijk in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof bepalen dat Jans Holding en [geïntimeerde2] ieder hun eigen kosten moeten dragen (compensatie van proceskosten) van de procedure in hoger beroep. Voor de procedure bij de rechtbank geldt ook volgens het hof dat [geïntimeerde2] tegenover Jans Holding als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt. Het hof komt dus niet tot een andere proceskostenveroordeling in eerste aanleg.
6.30.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

7.De beslissing

Het hof:
7.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 16 augustus 2023, behoudens 7.7 van dat vonnis, en beslist in aanvulling daarop:
7.1.1.
verbiedt [geïntimeerde2] om de ten laste van het erf van Jans Holding en ten behoeve van het erf van [geïntimeerde2] gevestigde erfdienstbaarheid anders te gebruiken dan om te komen van zijn perceel aan [adres4] naar de openbare weg, [straatnaam1] , en van die openbare weg, [straatnaam1] , te gaan naar zijn perceel aan de [adres4] , welk verbod ook omvat om van het perceel van [geïntimeerde2] aan de [adres4] over het perceel van Jans Holding te gaan naar en te komen van (de garage behorend bij) het perceel [adres1] , op verbeurte van een dwangsom van € 100 per overtreding van dit verbod;
7.1.2.
veroordeelt [geïntimeerde2] om het gedeelte van zijn perceel gelegen tussen de erfgrens met het perceel van [geïntimeerde1] ( [adres3] ) en de gevel van zijn woning en het gedeelte dat in het verlengde daarvan doorloopt tot de achterzijde van zijn perceel (het op zijn perceel gelegen deel van het toegangspad) te ontruimen en ontruimd te houden, in die zin dat daarop geen zaken geplaatst mogen blijven of worden, met uitzondering van de door [geïntimeerde2] in 1983 geplaatste schutting, op verbeurte van een dwangsom van € 100 per dag dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan;
7.2.
veroordeelt Jans Holding tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde1] :
€ 343 aan griffierecht
€ 1.935 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] (3 procespunten x het toepasselijke tarief € 1.290 x 1/2 )
7.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
7.4.
bepaalt dat Jans Holding en [geïntimeerde2] ieder de eigen kosten dragen van de procedure bij het hof;
7.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, M. Schoemaker en M. Wallart, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.