ECLI:NL:GHARL:2026:778

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.352.379
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 BWArt. 6:265 BWArt. 6:215 BWArt. 7:760 lid 2 BWArt. 7:754 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt gedeeltelijke ontbinding koopovereenkomst airco’s wegens non-conformiteit

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de overeenkomst tussen appellant en geïntimeerde, betreffende de levering en installatie van twee airco’s en een ventilatiebox, rechtsgeldig ontbonden kon worden wegens non-conformiteit. Geïntimeerde stelde dat de airco’s lekten en niet voldeden aan de overeenkomst, terwijl appellant dit betwistte en verwees naar condensatie en ondercapaciteit.

De kantonrechter had eerder de gehele overeenkomst ontbonden en appellant veroordeeld tot terugbetaling en kosten. Het hof oordeelde echter dat alleen de levering en installatie van de airco’s ontbonden kon worden, omdat de ventilatiebox wel aan de overeenkomst voldeed. Het lekken van de airco’s werd vastgesteld aan de hand van videomateriaal en getuigenverklaringen, waarbij het hof aannam dat de lekkages veroorzaakt werden door condensatie door ondercapaciteit, waarvoor appellant onvoldoende had gewaarschuwd.

Verder stelde appellant dat geïntimeerde in schuldeisersverzuim was geraakt door onvoldoende medewerking aan herstelwerkzaamheden. Het hof oordeelde dat geïntimeerde wel een redelijke termijn had gegeven en dat appellant in verzuim was geraakt omdat herstel niet tijdig en adequaat was uitgevoerd. De ontbinding van de overeenkomst werd daarom gerechtvaardigd voor de airco’s, maar niet voor de ventilatiebox. Financiële afwikkeling en proceskosten werden aangepast en verdeeld tussen partijen.

Uitkomst: De overeenkomst is ontbonden voor de airco’s wegens non-conformiteit, maar blijft in stand voor de ventilatiebox; financiële veroordelingen zijn aangepast en proceskosten verdeeld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.352.379
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 10870562)
arrest van 10 februari 2026
in de zaak van
[appellant]
handelende onder de naam [naam1]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. A.A. Bos
tegen
[geïntimeerde]
handelende onder de naam [naam2]
die woont in [woonplaats2]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M.P. Harten

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 28 oktober 2025 heeft op 11 december 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak en de procedure bij de kantonrechter

2.1.
[geïntimeerde] en [appellant] hebben in april 2023 een overeenkomst gesloten. Daarbij heeft [appellant] zich verplicht twee airco’s en een ventilatiebox te leveren en te installeren in de winkel van [geïntimeerde] . Volgens [geïntimeerde] werken de airco’s niet zoals hij mocht verwachten. Hij heeft de overeenkomst daarom buitengerechtelijk ontbonden en de airco’s inmiddels vervangen door andere.
2.2.
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de kantonrechter) een verklaring voor recht gevorderd dat de overeenkomst is ontbonden, of anders dat de kantonrechter die overeenkomst ontbindt of vernietigt. Hij heeft daarnaast terugbetaling van de aankoopsom (van € 15.519,46) en een schadevergoeding (€ 1.456,90) gevorderd, te vermeerderen met wettelijke handelsrente. Tot slot heeft [geïntimeerde] buitengerechtelijke incassokosten (vermeerderd met wettelijke rente) en proceskosten gevorderd.
2.3.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 24 juli 2024 [1] geoordeeld dat de overeenkomst niet vernietigbaar is en dat [geïntimeerde] de overeenkomst wegens non-conformiteit kon ontbinden, behalve indien [appellant] erin zou slagen te bewijzen dat sprake was van schuldeisersverzuim aan de zijde van [geïntimeerde] : dan is [appellant] niet in het voor ontbinding vereiste verzuim geraakt. In het eindvonnis van 11 december 2024 oordeelde de kantonrechter dat [appellant] dat bewijs niet heeft geleverd en dat [geïntimeerde] de volledige overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Daarom is [appellant] veroordeeld het volledige bedrag van € 15.519,46 en een bedrag aan buitengerechtelijke kosten (terug) te betalen aan [geïntimeerde] , te vermeerderen met wettelijke rente. [appellant] is ook veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde verklaring voor recht en schadevergoeding zijn afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat ook de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.4.
Het hof zal, anders dan de kantonrechter, oordelen dat de overeenkomt alleen is ontbonden voor zover die ziet op de levering en installatie van de airco’s. Voor zover de overeenkomst ziet op de levering en installatie van de ventilatiebox is die in stand gebleven. Dat wordt hierna uitgelegd.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Een gemengde overeenkomst of (uitsluitend) een aanneemovereenkomst?
3.1.
Volgens [appellant] moet de overeenkomst tussen hem en [geïntimeerde] worden aangemerkt als een aanneemovereenkomst. De kenmerkende prestatie van de overeenkomst was het verwerken van de airco’s en ventilatiebox waardoor ze functioneerden. Dat maakt dat uitsluitend sprake is van een aanneemovereenkomst en dat de bepalingen over conformiteit bij koop niet van toepassing zijn, zo meent [appellant] . Volgens [geïntimeerde] kwalificeert de overeenkomst in ieder geval ook als een koopovereenkomst.
3.2.
Naar het oordeel van het hof is de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] in ieder geval aan te merken als een koopovereenkomst. Het is zonder meer duidelijk dat [appellant] de airco’s en ventilatiebox niet zelf heeft gefabriceerd, maar elders heeft moeten inkopen. Voor het leveren daarvan is daarom geen sprake van het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, maar van koop, door het leveren van een zaak tegen betaling. Dat de overeenkomst kenmerken van verschillende bijzondere overeenkomsten draagt, staat niet in de weg aan de kwalificatie van koop. [2] Op grond van artikel 6:215 BW Pro zijn de bepalingen over conformiteit bij koop (waaronder artikel 7:17 BW Pro) van toepassing.
Non-conformiteit
3.3.
Volgens [geïntimeerde] lekten de airco’s en hoefde hij dat op grond van de overeenkomst niet te verwachten. [appellant] betwist dat de airco’s lekten. Volgens hem is sprake geweest van condensatie, veroorzaakt door ondercapaciteit in samenhang met de warmteontwikkeling in de winkel van [geïntimeerde] . [appellant] heeft bij de totstandkoming van de overeenkomst geadviseerd vijf airco’s op te hangen om voldoende capaciteit en luchtcirculatie te bewerkstelligen en hij heeft gewaarschuwd voor ondercapaciteit bij de installatie van slechts twee airco’s. Bovendien is onder het beheer van [geïntimeerde] geprutst aan de airco units, waarbij bevestigingsmateriaal is losgemaakt en verwijderd. [geïntimeerde] betwist dat onder zijn beheer aan de airco’s is geprutst.
3.4.
Het hof moet eerst de vraag beantwoorden of de geleverde airco’s (en ventilatiebox) al dan niet aan de koopovereenkomst beantwoordden (de vraag naar ‘conformiteit’). Beoordeeld moet worden of de airco’s (en de ventilatiebox), mede gelet op de aard van de zaken en de mededelingen die [appellant] over de zaken heeft gedaan, niet de eigenschappen hebben die [geïntimeerde] op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. [geïntimeerde] mocht verwachten dat de airco’s (en de ventilatiebox) de eigenschappen hebben die voor een normaal gebruik nodig waren en waarvan hij de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen (artikel 7:17 lid 1 en Pro lid 2 BW). Dat de airco’s (en de ventilatiebox) deze eigenschappen misten, moet [geïntimeerde] stellen en zo nodig bewijzen.
3.5.
Door [geïntimeerde] zijn filmpjes overgelegd waarop is de zien dat er vocht uit de airco’s droop, waardoor er plassen op de grond en stellingkasten ontstonden. Dat er vocht uit de airco’s lekte, staat daarmee wel vast. Dat wordt door [appellant] ook niet betwist. Op basis van de overeenkomst en de door [appellant] gedane mededelingen had [geïntimeerde] niet hoeven te verwachten dat de airco’s zouden lekken. Ook als de oorzaak van de lekkages is te vinden in de ondercapaciteit van de airco’s door in plaats van vijf er slechts twee te (laten) plaatsen en/of doordat de warmteontwikkeling in de winkel hoger is dan die was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, had [geïntimeerde] dat niet hoeven te verwachten. [geïntimeerde] mocht verwachten dat het vocht door het gebruik van de airco’s ontstaat zou worden weggepompt. Vast staat dat de mogelijkheid van druppelen door ondercapaciteit niet aan [geïntimeerde] is verteld. De lekkages verhinderden een normaal gebruik van de airco’s, zodat die niet aan de overeenkomst beantwoordden. Over de ventilatiebox heeft [geïntimeerde] niet (gemotiveerd) gesteld dat die niet aan de overeenkomst beantwoordde.
3.6.
Het betoog van [appellant] dat de lekkages ook veroorzaakt kunnen zijn door ‘gepruts’ aan de airco’s door [geïntimeerde] , heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. De monteur die op 3 oktober 2023 namens [appellant] in de winkel van [geïntimeerde] is geweest om reparatiewerkzaamheden aan de airco’s uit te voeren is door de kantonrechter als getuige gehoord. De monteur verklaarde dat de oorzaak van de lekkages kwam doordat de slangetjes los zaten. Hij merkte echter ook op dat de installaties (het hof begrijpt: de airco’s) niet de ruimte kregen om de juiste temperatuur te halen en dat ze daardoor bleven condenseren en er water ontstond. De monteur heeft de loszittende slangetjes vastgezet. Die werkzaamheden hebben echter niet geleid tot herstel; de airco’s lekten ook na 3 oktober 2023 weer, zoals blijkt uit de filmpjes. De loszittende slangetjes zijn daarom niet (alleen) de oorzaak geweest van de lekkages. Bovendien heeft [geïntimeerde] al op 31 mei 2023 een lekkage bij [appellant] gemeld en uit de tussen partijen overgelegde correspondentie blijkt dat volgens [appellant] die lekkage veroorzaakt werd door de condensvorming en dat een grotere hoeveelheid condens het gevolg was van de ondercapaciteit van de airco’s. Tussen partijen staat daarnaast vast dat die (overtollige) condensvorming had kunnen worden weggepompt met een zwaardere capaciteit van de installatie. Gelet hierop en de betwisting door [geïntimeerde] dat hij aan de airco’s heeft geprutst, neemt het hof aan dat de lekkages werden veroorzaakt door (overtollige) condensatie en niet door loszittende slangetjes door toedoen van [geïntimeerde] . [appellant] meent dat de tekortkoming hem niet valt toe te rekenen, maar dat zal hem niet helpen. Een ‘toerekenbare’ tekortkoming is immers geen vereiste voor een rechtsgeldige ontbinding van de overeenkomst.
3.7.
[appellant] wijst nog op artikel 7:760 lid 2 BW Pro dat gaat over aanneming van werk. Het artikel bepaalt dat als ondeugdelijke uitvoering van het werk is te wijten aan gebreken of ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, de gevolgen voor rekening van de opdrachtgever komen. Dat geldt alleen als de aannemer (dat is hier [appellant] ) niet zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden of in zijn deskundigheid of zorgvuldigheid is tekort geschoten. Op grond van artikel 7:754 BW Pro is de aannemer bij het aangaan of uitvoeren van de overeenkomst verplicht te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen.
3.8.
Het hof oordeelt daarover als volgt. [appellant] heeft gesteld dat hij heeft gewaarschuwd voor de ondercapaciteit van de twee airco’s, maar hij heeft niet gesteld dat hij ook heeft gewaarschuwd voor het risico op lekkage bij ondercapaciteit (eventueel als gevolg van warmteontwikkeling). Hij heeft een advies uitgebracht bij de koop van de airco’s en die geleverd en geïnstalleerd. [geïntimeerde] mocht uitgaan van de deskundigheid van [appellant] . Hij mocht ervan uitgaan dat de airco’s niet zouden lekken, ook niet op het moment dat sprake zou zijn van ondercapaciteit omdat hij minder airco’s afnam dan door [appellant] was geadviseerd. Dat geldt ook als [appellant] geen specialist is op het gebied van airco’s, zoals hijzelf stelt. Het was, mede gelet op zijn advisering daarover, zijn verantwoordelijkheid om geschikte airco’s te verkopen en de werking daarvan te kennen, zoals condensvorming bij een te lage capaciteit. Dat airco’s voorzien van zwaardere pompjes het probleem hadden voorkomen of verholpen, zoals [appellant] stelt, betekent dat hij zwaardere pompjes had moeten adviseren en die had moeten installeren bij het plaatsen van de airco’s of later, om de gebrekkige airco’s te herstellen. Van gebreken of ongeschiktheid van zaken afkomstig van [geïntimeerde] waardoor de lekkende airco’s voor rekening van [geïntimeerde] moeten komen is dus geen sprake.
3.9.
[appellant] verwijt [geïntimeerde] nog dat hij in strijd met het advies niet voor een warme lucht afvoer heeft zorggedragen. [appellant] verklaarde op de zitting op een vraag van de kantonrechter dat hij dat advies ten tijde van de tweede offerte aan [geïntimeerde] heeft gegeven, omdat toen inmiddels alle apparatuur in de winkel stond en hij de situatie kon bekijken. Die offerte is van 7 juni 2023, en op dat moment waren de airco’s al geïnstalleerd. Het lag daarom niet op de weg van [geïntimeerde] om op dat moment nog voor afvoer van warme lucht zorg te dragen, om de lekkages tegen te gaan. Dit geldt temeer als zwaardere pompjes het probleem met de airco’s hadden verholpen.
Is verzuim ingetreden?
3.10.
De non-conformiteit van de airco’s betekent dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Voor ontbinding van de overeenkomst is verzuim (van [appellant] ) nodig (artikel 6:265 BW Pro). Verzuim treedt onder meer in wanneer de schuldenaar ( [appellant] ) in gebreke wordt gesteld door een schriftelijke aanmaning, waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft (artikel 6:82 lid 1 BW Pro). Als nakoming van de verbintenis (herstel van de airco’s) wordt verhinderd doordat de schuldeiser ( [geïntimeerde] ) de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een andere verhindering van zijn kant opkomt, komt de schuldeiser in beginsel in verzuim (artikel 6:58 BW Pro). Zolang de schuldeiser in verzuim is, kan de schuldenaar niet in verzuim raken (artikel 6:61 lid 2 BW Pro).
3.11.
Uit de door [geïntimeerde] overgelegde correspondentie blijkt dat tussen mei 2023 en juli 2023 veelvuldig is gecommuniceerd over het niet naar behoren functioneren van de airco’s. Na juli 2023 hebben partijen juridische hulp ingeschakeld, waarbij namens [geïntimeerde] meerdere keren melding is gemaakt van de lekkende airco’s. Namens [geïntimeerde] is [appellant] met een e-mail van 27 september 2023 in gebreke gesteld, waarbij is gemaand de airco’s binnen zeven dagen te repareren.
3.12.
Volgens [appellant] zou op 3 oktober 2023 door het installeren van zwaardere pompjes het gebrek aan de airco’s hersteld gaan worden, maar heeft [geïntimeerde] de door [appellant] ingeschakelde monteur daarvoor onvoldoende gelegenheid gegeven. De termijn van zeven dagen voor herstel was te kort en de monteur die bij [geïntimeerde] is langsgegaan kreeg slechts een uur de tijd. Bovendien werd de monteur tijdens zijn werkzaamheden door de echtgenote van [geïntimeerde] gefilmd. De monteur voelde zich daardoor geïntimideerd en kon de herstelwerkzaamheden, waaronder het plaatsen van zwaardere pompjes, onvoldoende uitvoeren.
3.13.
Het hof oordeelt dat [geïntimeerde] [appellant] met de termijn van zeven dagen een redelijke termijn voor nakoming heeft gegeven. Gelet op de veelvuldige klachten tussen mei 2023 en oktober 2023 was [appellant] al lange tijd bekend met de lekkages. Het installeren van zwaardere pompjes, was bovendien een ingreep van slechts een paar uur, zoals volgt uit de getuigenverklaring van de monteur.
3.14.
Daarnaast is [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof niet in schuldeisersverzuim geraakt. Omdat [appellant] zich beroept op de rechtsgevolgen van schuldeisersverzuim aan de zijde van [geïntimeerde] , moet hij zijn (door [geïntimeerde] betwiste) stelling bewijzen dat daarvan sprake is. Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor blijkt dat de kantonrechter die de monteur en [appellant] als getuigen heeft gehoord, uitvoerig heeft doorgevraagd naar de feitelijke situatie. De monteur heeft tijdens dat verhoor onder meer verklaard:
‘Ik werd overvallen door het feit dat ik gefilmd werd.’Daarnaast verklaarde hij:
‘Ik kreeg een uur de tijd om de installatie te controleren. Er werd mij na een uur verzocht de winkel te verlaten. De werkzaamheden waren toen nog niet afgerond.’ Hoewel het aannemelijk is dat de monteur het als intimiderend heeft ervaren dat hij tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden werd gefilmd door de echtgenote van [geïntimeerde] , heeft de monteur (de echtgenote van) [geïntimeerde] daar niet op aangesproken. Mogelijk voelde de monteur zich daartoe niet vrij, maar ook na zijn vertrek is bij [geïntimeerde] niet geklaagd over de door de monteur ervaren belemmerende omstandigheden bij het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden. De monteur heeft [appellant] na zijn bezoek bij [geïntimeerde] daarvan wel op de hoogte gebracht. [appellant] heeft zijn toenmalige advocaat daarover ingelicht in een e-mailbericht van 4 oktober 2023, maar daarbij niet de klacht geuit dat het herstel van de airco’s door die belemmerende omstandigheden van de echtgenote van [geïntimeerde] niet is gelukt.
3.15.
[appellant] (of zijn advocaat) heeft ook bij [geïntimeerde] vervolgens niet geklaagd over het filmen of de beperking in tijd op 3 oktober 2023 en dat hij daardoor de herstelwerkzaamheden onvoldoende heeft kunnen (laten) verrichten. Op de zitting heeft [appellant] verklaard dat hij de echtgenote van [geïntimeerde] heeft gebeld na de uitgevoerde werkzaamheden op 3 oktober 2023, maar dat heeft (de echtgenote van) [geïntimeerde] betwist. Mede gelet op die betwisting heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd dat hij [geïntimeerde] heeft laten weten dat zijn monteur onvoldoende gelegenheid heeft gekregen voor de herstelwerkzaamheden. Ook is niet komen vast te staan, dat [geïntimeerde] op dat moment al wist dat er zwaardere pompjes zouden moeten worden geplaatst, waarvoor hij te weinig tijd gekregen heeft. De monteur heeft als getuige verklaard dat hij niet met de echtgenote van [geïntimeerde] in de winkel heeft besproken dat hij de pompjes bij zich had, en dat de pompjes nog in de bus lagen. [geïntimeerde] mocht er daarom van uitgaan dat de herstelwerkzaamheden op 3 oktober 2023 afgerond waren en dat de airco’s naar behoren zouden werken. Dat bleek niet het geval, omdat de airco’s ook na die datum weer lekten. [appellant] is daarmee in verzuim komen te verkeren. Het hof ziet in de stellingen van [appellant] onvoldoende aanknopingspunten om nogmaals tot bewijslevering over te gaan. Anders dan [appellant] meent is de bewijsopdracht door de kantonrechter niet ‘te eng’ geformuleerd en [appellant] heeft ook niet aangegeven wat de getuigen nog meer of anders zouden kunnen verklaren.
3.16.
[appellant] wijst nog op het aanbod van zijn (voormalig) advocaat bij e-mail van 11 oktober 2023 om de pompjes alsnog te installeren, maar dit kwam nadat de overeenkomst namens [geïntimeerde] was ontbonden, en was dus te laat om het verzuim van [appellant] nog te kunnen zuiveren.
Rechtvaardigt de tekortkoming de ontbinding?
3.17.
Volgens [appellant] rechtvaardigt de tekortkoming niet een gehele ontbinding van de overeenkomst. Het gebrek van lekkende airco’s en het gemak waarmee dat gebrek verholpen kan worden (door het vervangen van de pompjes) maakt dat ontbinding van de overeenkomst niet redelijk is. Bovendien is de ventilatiebox netjes volgens de overeenkomst geleverd en geïnstalleerd, zodat geen aanleiding bestaat de overeenkomst ook ten aanzien van de ventilatiebox te ontbinden, zo meent [appellant] . Volgens [geïntimeerde] bestaat tussen de aanschaf en installatie van de airco’s en de ventilatiebox zodanige samenhang dat ontbinding van de gehele overeenkomst gerechtvaardigd is. Hij had de ventilatiebox niet aangeschaft zonder ook de airco’s aan te schaffen.
3.18.
Het hof oordeelt als volgt. De lekkages zorgden voor plassen vocht in de winkel van [geïntimeerde] . Wat zich onder de airco’s bevond werd nat. Die lekkages staan het gebruik van de airco’s zodanig in de weg dat die de ontbinding rechtvaardigen. Dat het eenvoudig had kunnen worden opgelost met het vervangen van de pompjes maakt dat niet anders. Daartoe is [appellant] immers niet (tijdig voor de ontbinding) overgegaan.
3.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat de ventilatiebox goed werkt (en dus niet non-conform is). Er bestaat daarom geen aanleiding om de overeenkomst voor zover die ziet op de ventilatiebox te ontbinden. In het licht van de stelling van [appellant] dat ontbinding van de overeenkomst ten aanzien van de ventilatiebox niet gerechtvaardigd is, heeft [geïntimeerde] onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de ontbinding ook voor de ventilatiebox moet gelden. De enkele stelling dat [geïntimeerde] de ventilatiebox niet had aangeschaft zonder de airco’s aan te schaffen is daarvoor onvoldoende; het is onvoldoende toegelicht waarom de ventilatiebox zodanig samenhangt met de airco’s dat die niet als afzonderlijke onderdelen kunnen functioneren.
3.20.
In de offerte is een duidelijke splitsing gemaakt tussen de kosten van de ventilatiebox en de kosten van de airco’s. Daaruit blijkt dat de kosten voor het plaatsen en aansluiten van de ventilatiebox € 2.625 exclusief 21% btw bedroegen, dus € 3.176,25 inclusief btw. Voor dit onderdeel van de overeenkomst is geen plaats voor ontbinding en die kosten hoefde [appellant] dan ook niet terug te betalen. Dat betekent dat dat bedrag na het vonnis teveel door [geïntimeerde] is ontvangen. Dat moet hij daarom aan [appellant] terugbetalen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente hierover. Het hof vertrouwt erop dat de advocaten deze berekening(en) zelf kunnen maken met inachtneming van de imputatieregels in de artikelen 6:43 en 6:44 BW.
De conclusie
3.21.
Het hoger beroep slaagt deels. Iedere partij moet zijn eigen kosten in het hoger beroep dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen. De uitkomst van het hoger beroep rechtvaardigt geen vernietiging van de proceskostenveroordeling bij de rechtbank.
3.22.
De toegewezen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is aangevochten. Het hof zal dan ook de hoogte van de buitengerechtelijke kosten aanpassen en berekenen op basis van het Besluit vergoeding buitengerechtelijke kosten (dit is € 875 + 1% over (hoofdsom - € 10.000). Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen tot terugbetaling van wat teveel is betaald.
3.23.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 24 juli 2024 en 11 december 2024 voor zover het betreft de toewijzing van de bedragen van € 15.519,46 in hoofdsom en € 930,19 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, en beslist in zoverre opnieuw:
4.2.
veroordeelt [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 12.343,21, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 oktober 2023, tot de dag van volledige betaling;
4.3.
veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 898,43 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis van de rechtbank van 11 december 2024;
4.4.
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van € 3.176,25 en € 31,76 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant] tot aan de dag van terugbetaling;
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt;
4.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M.E. Lagarde, R.A. Dozy en G.R. den Dekker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.

Voetnoten

2.HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4989,