ECLI:NL:GHARL:2026:815

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
200.363.864/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep en schorsing zorgregeling vakanties minderjarige

De moeder en vader zijn gescheiden ouders van een minderjarige geboren in 2020 in Moldavië. Na ontbinding van het huwelijk is overeengekomen dat de woonplaats van de minderjarige bij de moeder is. De moeder is met het kind naar Nederland verhuisd. De rechtbank heeft een zorgregeling vastgesteld waarbij de vader zorg krijgt in bepaalde periodes, waaronder vakanties, met uitvoerbaarheid bij voorraad.

De moeder verzoekt in hoger beroep om schorsing van de uitvoerbaarheid van de zorgregeling in de vakanties zolang het hof nog niet over de hoofdzaak heeft beslist. Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Het belang van de moeder en de minderjarige om de huidige situatie te behouden weegt zwaarder dan het belang van de vader bij onmiddellijke uitvoering van de vakantiedelen van de zorgregeling.

Het hof constateert dat het contact tussen vader en kind moeizaam verloopt en dat de opbouw van onbegeleid contact zoals door de rechtbank vastgesteld onvoldoende is uitgevoerd. Daarom wordt de werking van de vakantiedelen van de zorgregeling geschorst, maar niet die buiten de vakanties. Het verzoek om een dwangsom wordt afgewezen omdat de vader geen belang meer heeft bij nakoming zolang de schorsing geldt.

Uitkomst: Het hof schorst de uitvoering van de vakantiedelen van de zorgregeling totdat in de hoofdzaak is beslist.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.864/02
(zaaknummer rechtbank Arnhem 451776)
beschikking van 12 februari 2026 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. K. Broere,
en
[verweerder],
wonende in [woonplaats2] , Republiek Moldavië,
verweerder,
hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. R.H. Ebbeng.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 22 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder te noemen: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op
20 januari 2026;
- het verweerschrift op het verzoek tot schorsing met producties.
2.2
De zitting was op 2 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat en mr. A.J. Somhorst en een tolk;
- de vader met zijn advocaat en een tolk, en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
Op de zitting heeft het hof beslist dat geen acht wordt geslagen op de brief met bijlagen van mrs. Broere en Somhorst van 2 februari 2026.
3. De feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2020 in [woonplaats2] , Republiek Moldavië (hierna: Moldavië). [minderjarige] is geboren tijdens het huwelijk van de ouders. Dat huwelijk is in 2021 ontbonden.
3.2
De vader, de moeder en [minderjarige] hebben volgens het inleidend verzoekschrift allen de Moldavische en Roemeense nationaliteit. Volgens de Basisregistratie Personen hebben de moeder en [minderjarige] in ieder geval de Roemeense nationaliteit.
3.3
De moeder en de vader zijn ten tijde van de wederzijdse overeenstemming tot ontbinding van het huwelijk overeengekomen dat [minderjarige] zijn woonplaats bij de moeder zal hebben.
3.4
Op 22 maart 2022 heeft de moeder samen met [minderjarige] Moldavië verlaten. Zij zijn naar Roemenië vertrokken en vandaar naar Nederland. De moeder verblijft sinds 27 april 2022 met [minderjarige] in Nederland.
3.5
De moeder en de vader hebben een geschil over de zorgregeling voor [minderjarige] . In de bestreden beschikking heeft de rechtbank (onder 5.2, 5.3 en 5.4) vastgesteld dat de vader de zorg heeft voor [minderjarige] in de volgende perioden:
- drie achtereenvolgende dagen in 2025 in Nederland: een vrijdag voor de duur van
2 uur, een zaterdag voor de duur van 4 uur, een zondag voor de duur van 8 uur;
- tijdens de tweede week van de Kerstvakantie in 2025 in Nederland: drie achtereenvolgende dagen: de eerste dag 8 uur, de tweede dag vanaf 10.00 uur met een overnachting tot de derde dag 17.00 uur;
- in de even jaren: de voorjaarsvakantie;
- de eerste week van de meivakantie;
- drie aaneengesloten weken tijdens de zomervakantie, in 2026 (of de even jaren) de laatste drie weken van de schoolvakantie;
- in de oneven jaren: de herfstvakantie;
- vanaf 2026: iedere tweede helft van de kerstvakantie,
- waarbij het aan de ouders is, al dan niet met behulp van/via hun advocaten, om voor de uitvoering van deze regeling nadere afspraken met elkaar te maken over concrete data, begin- en eindtijdstippen en de overdracht van [minderjarige] ;
De rechtbank heeft verder voor de uitvoering van de zorgregeling:
- aan de vader vervangende toestemming verleendom met ingang van de (Nederlandse) voorjaarsvakantie 2026 gedurende die perioden met [minderjarige] heen en weer te reizen tussen Moldavië en Nederland;
de moeder veroordeeld tot afgifte van het Moldavische paspoort van [minderjarige] aan de vader bij de overdracht van [minderjarige] aan de vader en teruggave van dat paspoort door de vader aan de moeder bij het terugbrengen van [minderjarige] naar de moeder.
De rechtbank heeft deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de uitspraak kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. De moeder verzoekt dat de uitspraak niet hoeft te worden uitgevoerd zolang het hof nog geen beslissing in de hoofdzaak heeft genomen (schorsing).

4.Het oordeel van het hof over het schorsingsverzoek

Bevoegdheid van de Nederlandse rechter en toepasselijk recht.
4.1
Omdat deze zaak internationale aspecten heeft, moet het hof eerst ambtshalve beslissen of de Nederlandse rechter bevoegd is (rechtsmacht heeft) om over de voorgelegde verzoeken te oordelen en, zo ja, welk recht op de verzoeken moet worden toegepast. Het hof beslist dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat het Nederlands recht van toepassing is op de gronden die de rechtbank daarvoor heeft genoemd.
Inhoudelijk
4.2
Het hof zal beslissen dat de zorgregeling [minderjarige] nog niet hoeft te worden uitgevoerd (het schorsingsverzoek wordt dus toegewezen). Het hof legt hieronder uit waarom.
4.3
De rechtbank heeft haar beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, maar dat niet toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de moeder om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de vader om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. [1]
4.4
Het hof stelt voorop dat het belangrijk is dat [minderjarige] en de vader contact hebben. Het hof vindt het niet in het belang van [minderjarige] dat op dit moment uitvoering wordt gegeven aan de gehele door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Het hof vindt dat het belang van de moeder en [minderjarige] bij schorsen van de vakantieregeling die deel uitmaakt van de zorgregeling in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de vader bij het nakomen daarvan. [minderjarige] is nog jong heeft na een contactbreuk tot nu toe nog nauwelijks één-op-één contact gehad met de vader. De rechtbank heeft daarom overwogen dat een onbegeleide, opbouwende contactregeling zal worden vastgesteld die ernaar toewerkt dat [minderjarige] tijdens de Nederlandse vakanties bij de vader in Moldavië is. Deze regeling bestaat uit een opbouw in duur en frequentie van onbegeleid contact tussen de vader en [minderjarige] , met uiteindelijk in de Kerstvakantie 2025 voor het eerst een overnachting van [minderjarige] bij de vader in Nederland. In de voorjaarsvakantie zou [minderjarige] volgens die regeling voor het eerst een week bij de vader in Moldavië zijn, zonder de moeder. Het hof constateert dat tot nu toe geen althans onvoldoende uitvoering is gegeven aan de opbouw van de regeling zoals door de rechtbank is vastgesteld. Partijen maken elkaar over en weer verwijten over de oorzaak daarvan. Voor het hof is niet vast te stellen wie daarin gelijk heeft en waarom de regeling niet is uitgevoerd zoals door de rechtbank vastgesteld. Het contact tussen de ouders verloopt in ieder geval zeer moeizaam en zij hebben ieder andere ideeën over de contactregeling en komen niet tot overleg. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat hij zonder enige opbouw in het onbegeleide contact met de vader de vakanties bij de vader in Moldavië doorbrengt. Het hof zal daarom de werking van de beslissingen ten aanzien van de zorg van vader voor [minderjarige] in de vakanties (voorjaarsvakantie, meivakantie, zomervakantie en herfstvakantie) schorsen. Het hof schorst niet de werking van de beslissingen ten aanzien van de zorg van vader voor [minderjarige] in periodes buiten de vakanties.
4.5
Vanwege de schorsing van de werking van de beslissingen ten aanzien van de zorg in de vakanties, heeft de vader geen belang bij zijn verzoek om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van die regeling door de moeder.

4.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek van de moeder toe;
schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 22 oktober 2025, voor zover deze de beslissingen over de zorg van de vader voor [minderjarige] in de vakanties (5.2, 5.3 en 5.4) betreft;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Feunekes en M.H.F. van Vugt en is op 12 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019,