De heffingsambtenaar legde zes naheffingsaanslagen parkeerbelasting op aan [bedrijfsnaam] vanwege het niet betalen van parkeerbelasting in een blauwe zone. Belanghebbende, werkzaam bij [bedrijfsnaam], maakte bezwaar en vroeg tevens vergoeding van proceskosten. De heffingsambtenaar vernietigde de naheffingsaanslagen uit coulance, maar wees proceskostenvergoeding af. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen het niet tijdig beslissen en tegen de uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk waren verklaard en dat hij recht had op proceskostenvergoeding omdat de naheffingsaanslagen onrechtmatig waren vernietigd. Het hof oordeelde dat de uitspraken op bezwaar wel tijdig en aan belanghebbende gericht waren, dat de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ontvankelijk waren omdat er wel degelijk procesbelang bestond, en dat de naheffingsaanslagen niet puur uit coulance maar wegens aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid waren vernietigd.
Het hof veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De zaak werd niet terugverwezen naar de rechtbank omdat het hof zelf een finale beslissing kon nemen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 10 februari 2026.