Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:845

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
24/1252 t/m 24/1257
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:115 AwbArt. 8:116 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid en proceskostenvergoeding parkeerbelasting naheffingsaanslagen

De heffingsambtenaar legde zes naheffingsaanslagen parkeerbelasting op aan [bedrijfsnaam] vanwege het niet betalen van parkeerbelasting in een blauwe zone. Belanghebbende, werkzaam bij [bedrijfsnaam], maakte bezwaar en vroeg tevens vergoeding van proceskosten. De heffingsambtenaar vernietigde de naheffingsaanslagen uit coulance, maar wees proceskostenvergoeding af. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen het niet tijdig beslissen en tegen de uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat de beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk waren verklaard en dat hij recht had op proceskostenvergoeding omdat de naheffingsaanslagen onrechtmatig waren vernietigd. Het hof oordeelde dat de uitspraken op bezwaar wel tijdig en aan belanghebbende gericht waren, dat de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ontvankelijk waren omdat er wel degelijk procesbelang bestond, en dat de naheffingsaanslagen niet puur uit coulance maar wegens aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid waren vernietigd.

Het hof veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De zaak werd niet terugverwezen naar de rechtbank omdat het hof zelf een finale beslissing kon nemen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 10 februari 2026.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraken van de heffingsambtenaar voor zover geen proceskostenvergoeding is toegekend en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1252 tot en met 24/1257
uitspraakdatum: 10 februari 2026
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 juni 2024, nummers UTR 23/1289, 23/1524 tot en met 23/1527, en 23/1529, ECLI:NL:RBMNE:2024:4419, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan
de gemeente [gemeente](hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan [bedrijfsnaam] zes naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslagen.
1.2.
Belanghebbende heeft op 21 februari 2023, door de heffingsambtenaar ontvangen op 23 februari 2023, een ingebrekestelling gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op het ingediende bezwaarschrift.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 9 maart 2023 de naheffingsaanslagen vernietigd. In dezelfde geschriften heeft de heffingsambtenaar de verzoeken om toekenning van dwangsommen afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft met dagtekening 12 maart 2023 bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn hiervoor – onder 1.1 – vermelde bezwaarschrift. De Rechtbank heeft de beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard en de door haar als zodanig aangemerkte beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 9 maart 2023 eveneens niet-ontvankelijk verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingezonden.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Partijen zijn met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

2.Vaststaande feiten

2.1.
De heffingsambtenaar heeft aan [bedrijfsnaam] , de houder van het voertuig met kenteken [kenteken1] (hierna: de auto), zes naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd, omdat de auto op respectievelijk 12, 14, 15, 18, 21 en 26 juni 2022 in het gebied aangeduid als ‘blauwe zone 3’ in [plaats] stond geparkeerd terwijl daarvoor geen parkeerbelasting is betaald.
2.2.
Belanghebbende, die de auto feitelijk heeft geparkeerd en werkzaam is bij [bedrijfsnaam] , heeft met dagtekening 11 juli 2022 een bezwaarschrift ingediend tegen deze naheffingsaanslagen. Belanghebbende heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door een gemachtigde (hierna: de gemachtigde). In het bezwaarschrift wordt verzocht om vergoeding van de kosten van deze verleende rechtsbijstand. Als bijlage bij het bezwaarschrift is een afschrift van een e-mailbericht van 5 januari 2022 gevoegd van ‘Parkeerservice [plaats] ’ aan belanghebbende waarin onder meer het volgende is vermeld:
“Vanaf 1 januari 2022 geldt betaald parkeren in een aantal nieuwe gebieden in [plaats] . Bewoners en bedrijven in die gebieden kunnen gebruik maken van parkeervergunningen.
Je was in het bezit van één of meerdere bewonersontheffingen voor de blauwe zone. Deze ontheffing(en) hebben wij op 1 januari 2022 voor je omgezet naar een bewonersvergunning. Voor deze omzetting hoef je zelf niks te doen.
De bewonersvergunning en bezoekersregeling zijn alleen geldig in de eigen vergunningszone: Zone 3 – [wijk] .”
2.3.
De gemachtigde heeft op 21 februari 2023, door de heffingsambtenaar ontvangen op 23 februari 2023, een ingebrekestelling gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op het ingediende bezwaarschrift.
2.4.
De heffingsambtenaar heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 9 maart 2023 de naheffingsaanslagen vernietigd. De uitspraken op bezwaar zijn in de aanhef gericht aan [bedrijfsnaam] , met direct daaronder de vermelding ‘P/A [gemachtigde]’ en het adres van de gemachtigde. Verder is verwezen naar ‘Uw brief, ingekomen 12-07-2022’, en is ingegaan op de in het – onder 2.2 genoemde – bezwaarschrift vermelde grieven. Hierover is het volgende geschreven:

Grieven
U heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag omdat u een brief van de gemeente heeft gekregen dat uw vergunning automatisch zou worden omgezet in een bewonersvergunning en dat u als bewoner niets zou hoeven te doen.
Overwegingen
Vanaf 1 januari 2022 is sprake van betaald parkeren in de voormalige blauwe zones rondom [plaats] Centrum. Als bewoner van deze wijk kunt u uw (oude) ontheffing omzetten naar een parkeervergunning voor 2022. Dit proces blijkt echter niet vlekkeloos te zijn verlopen. Als gevolg hiervan hebben een aantal bewoners één of meerdere naheffingsaanslagen parkeerbelasting ontvangen.
Besloten is om coulance toe te passen gedurende een periode na 14 dagen na (dagtekening van) de eerste naheffingsaanslag parkeerbelasting. Dat betekent dat alle naheffingsaanslagen welke zien op een overtreding binnen deze 14 dagen uit coulance worden vernietigd.”
In dezelfde geschriften heeft de heffingsambtenaar de verzoeken om toekenning van dwangsommen afgewezen en daarbij verwezen naar de op 23 februari 2023 ontvangen ingebrekestelling. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende geen proceskostenvergoeding toegekend.
2.5.
In hoger beroep heeft belanghebbende onder meer een afschrift overgelegd van door Parkeerservice [plaats] aan hem gestuurde factuur, met dagtekening 26 april 2021, van de ‘Bewonersontheffing – Blauwe Zone 3’ inzake het kenteken [kenteken1] voor de periode 22 mei 2021 tot en met 21 mei 2022, alsmede van een factuur, met dagtekening 28 juni 2022, van de ‘Bewonersvergunning, voor Zone 3 – [wijk] ’ inzake hetzelfde kenteken voor de periode 28 juni 2022 tot en met 27 juni 2023. Tevens is een schermprint overgelegd met dezelfde inhoud als vermeld in het – onder 2.2 genoemde – e-mailbericht.

3.Geschil

In hoger beroep is allereerst in geschil of de beroepen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Voor het geval de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ontvankelijk zijn, is in geschil of de heffingsambtenaar voor de behandeling in bezwaar terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.

4.Beoordeling van het geschil

Beroepen tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift
4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat niet (tijdig) op de bezwaren is beslist, omdat de – onder 2.4 genoemde – uitspraken op bezwaar niet aan belanghebbende zijn gericht maar aan [bedrijfsnaam] Naar het oordeel van het Hof is met het doen van de uitspraken op bezwaar wel – en dus tijdig – op de bezwaren van belanghebbende beslist. Daartoe overweegt het Hof als volgt.
4.2.
Gelet op de inhoud van en verwijzingen in de uitspraken op bezwaar kan naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs geen misverstand erover bestaan dat deze zijn gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende. De uitspraken op bezwaar zijn gestuurd naar de gemachtigde die het bezwaarschrift namens belanghebbende heeft ingediend. Uit het beroepschrift van de gemachtigde maakt het Hof op dat daarover bij de gemachtigde ook geen misverstand bestond. De gemachtigde noemt daarin immers de ontvangst van de uitspraken op bezwaar en voert enkel, als formele grief, aan dat belanghebbende daaraan geen rechten kan ontlenen omdat deze zijn gericht aan [bedrijfsnaam] , terwijl vaststaat dat hij namens [bedrijfsnaam] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. Bovendien wijst de gemachtigde erop dat het de heffingsambtenaar duidelijk is dat namens belanghebbende bezwaar is gemaakt en dat uit het bezwaarschrift (van belanghebbende) blijkt dat de heffingsambtenaar wel degelijk onrechtmatig heeft gehandeld. De enkele omstandigheid dat in de aanhef van de uitspraken [bedrijfsnaam] is vermeld, doet aan voormelde conclusie niet af.
4.3.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepen tegen het niet tijdig beslissen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank en dat ook geen dwangsom is verbeurd.
Beroepen tegen de uitspraken op bezwaar
4.4.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende geen procesbelang heeft bij het – terecht tevens als zodanig aangemerkte – beroep tegen de uitspraken op bezwaar van 9 maart 2023 en de beroepen mitsdien niet-ontvankelijk verklaard. Redengevend daarvoor acht de Rechtbank dat belanghebbende met de behandeling van zijn beroep niet meer in een betere positie kan komen, omdat de naheffingsaanslagen zijn vernietigd en aanspraak op een kostenvergoeding in bezwaar zelfstandig geen procesbelang oplevert.
4.5.
Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat een beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener daarvan bij de aanwending van het rechtsmiddel geen belang heeft. Dat is het geval als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, die indiener niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht (laatstelijk HR 23 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:265, r.o. 4.2.1).
4.6.
De in 4.5 bedoelde situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Het beroep kan belanghebbende immers in een betere positie brengen met betrekking tot de proceskostenvergoeding in bezwaar. Het andersluidende oordeel van de Rechtbank acht het Hof onjuist. Daarbij merkt het Hof nog op dat ook als zou worden uitgegaan van de uitspraak CRvB 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635, in het onderhavige geval sprake is van een procesbelang omdat de naheffingsaanslagen zijn vernietigd (herroepen) zonder dat daarbij een vergoeding van bezwaarkosten is toegekend, terwijl daar wel om was gevraagd. Het kennelijke betoog van de heffingsambtenaar dat hierbij sprake moet zijn van een herroeping wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, snijdt geen hout.
4.7.
Gelet op het voorgaande zijn de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ten onrechte door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.
4.8.
Het Hof ziet geen aanleiding om de zaken terug te wijzen, omdat deze geen nadere behandeling door de Rechtbank behoeven (artikel 8:116 Algemene Pro wet bestuursrecht; Awb). De vraag of een vergoeding van bezwaarkosten dient te worden toegekend, is een eenvoudige feitelijke kwestie en partijen zijn ruimschoots in de gelegenheid geweest hun standpunten hierover kenbaar te maken en hebben dit ook gedaan. Opmerking hierbij verdient dat het met het oog op een snelle finale geschilbeslechting als regel de voorkeur verdient dat het Hof de zaak niet terugwijst op de voet van artikel 8:115, lid 1, letter b, Awb, maar zelf in de zaak voorziet (HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084, r.o. 3.3.6). Partijen hebben ook niet om terugwijzing verzocht.
4.9.
Ingevolge artikel 7:15, lid 2, Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
4.10.
Belanghebbende stelt dat recht bestaat op een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase omdat aan de bezwaren is tegemoetgekomen. De heffingsambtenaar is van mening dat geen recht op vergoeding van de proceskosten in bezwaar bestaat omdat geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Volgens de heffingsambtenaar zijn de naheffingsaanslagen puur uit coulance vernietigd. Daartoe voert de heffingsambtenaar aan dat navraag bij het Parkeerbedrijf hem heeft geleerd dat belanghebbende alleen een blauwe zone ontheffing had voor zijn wijk (Zone 3 – [wijk] ) voor een voertuig met het kenteken [kenteken2] . Deze ontheffing is per 1 januari 2022 automatisch omgezet in een bewonersvergunning. Voor de auto (met kenteken [kenteken1] ) heeft belanghebbende pas met ingang van 28 juni 2022 een geldige bewonersvergunning ontvangen, aldus de heffingsambtenaar.
4.11.
Uit de door belanghebbende in hoger beroep overgelegde stukken – zie 2.5 – volgt dat belanghebbende reeds vóór 1 januari 2022 met betrekking tot de auto een bewonersontheffing voor zijn wijk had. Het Hof acht gelet op de stukken aannemelijk dat deze per 1 januari 2022 is omgezet in een bewonersvergunning en dat deze ook gold voor de periode van naheffing. De enkele, niet met stukken onderbouwde, stelling van de heffingsambtenaar dat belanghebbende slechts beschikte over een bewonersontheffing (die per 1 januari 2022 is omgezet naar een bewonersvergunning) inzake een voertuig met het kenteken [kenteken2] acht het Hof, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk. Ook voor het overige heeft de heffingsambtenaar geen feiten of omstandigheden gesteld die leiden tot de conclusie dat de naheffingsaanslagen terecht waren opgelegd en dat deze dus puur uit coulance zijn vernietigd. Het Hof is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslagen zijn vernietigd wegens aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid, zodat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de door hem gemaakte kosten in verband met de behandeling van de bezwaren. Het Hof zal deze vergoeding alsnog toekennen als na te melden.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 499,50 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift)  wegingsfactor 0,5  factor samenhangende zaken 1,5 en een waarde per punt van € 666), € 700,50 voor de kosten in eerste aanleg (1 punt (beroepschrift)  wegingsfactor 0,5  factor samenhangende zaken 1,5 en een waarde per punt van € 934) en € 467 voor de kosten in hoger beroep (1 punt (hogerberoepschrift)  wegingsfactor 0,5  € 934), ofwel in totaal op € 1.667. In hoger beroep is sprake van één zaak omdat de Rechtbank op de zes beroepen van belanghebbende in één uitspraak heeft beslist (vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0892).

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze ziet op de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 9 maart 2023,
– verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 9 maart 2023 gegrond,
– vernietigt de uitspraken van de heffingsambtenaar voor zover daarin geen proceskostenvergoeding is toegekend,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.667,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is op 10 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.