ECLI:NL:GHARN:2001:AB0491
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.B.H. Röben
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid van periodieke betalingen op grond van dringende morele verplichting
Belanghebbende, die een eenmanszaak drijft en tevens ABP-pensioen geniet, betwistte de weigering van de Inspecteur om aftrek te verlenen voor periodieke betalingen aan twee vrouwen met wie hij relaties had gehad, mevrouw B en mevrouw D. De Inspecteur erkende het bestaan van overeenkomsten tot betaling, maar betwistte dat sprake was van een dringende morele verplichting tot levensonderhoud.
Het hof stelde vast dat belanghebbende en mevrouw B van 1976 tot 1978 samenwoonden en daarna een relatie onderhielden die in 1984 werd verbroken. Betalingen aan mevrouw B begonnen pas in 1990, na een aanzienlijke periode zonder relatie. Mevrouw D had een LAT-relatie met belanghebbende en ontving betalingen vanaf 1993, zonder dat sprake was van samenwoning.
Het hof oordeelde dat de betalingen aan mevrouw B niet berusten op een dringende morele verplichting, mede vanwege het tijdsverloop en het ontbreken van een duurzame samenleving. Voor mevrouw D was geen sprake van een niet-huwelijkse samenleving en ontbraken bijzondere omstandigheden die aftrek rechtvaardigen.
Daarom werd het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak van de Inspecteur bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.