ECLI:NL:GHARN:2002:AF2875
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.B.H. Röben
- J.P.M. Kooijmans
- C.M. Ettema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging heffingsrente bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting huisarts
Belanghebbende, een huisarts, maakte bezwaar tegen een beschikking heffingsrente die was opgelegd bij een nadere voorlopige aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2000. Deze aanslag hield verband met een gewijzigde regeling waarbij een aanspraak op een uitkering van het Goodwillfonds voor Huisartsen opeisbaar werd in 2000, waardoor deze aanspraak tot het belastbare inkomen werd gerekend.
De Inspecteur had de heffingsrente berekend conform artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, omdat de aanslag later werd opgelegd dan het kalenderjaar waarover belasting werd geheven. Belanghebbende betoogde dat het in rekening brengen van heffingsrente niet de bedoeling was van de gemaakte afspraken tussen het Fonds, de LHV en de Staatssecretaris en dat de fiscus hierdoor een onrechtmatig rentevoordeel zou genieten.
Het Hof oordeelde dat de aanspraak in 2000 opeisbaar werd en dat de heffingsrente terecht en wettelijk correct was berekend en opgelegd. Het vertrouwen op de gemaakte afspraken kon niet leiden tot uitsluiting van de wettelijke heffingsrente. Ook de stelling dat de Belastingdienst schuld had aan het ontstaan van de heffingsrente werd verworpen. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de heffingsrente bij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2000 wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.