ECLI:NL:GHARN:2003:AF4615
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing over immateriële schadevergoeding na ontbinding arbeidsovereenkomst
Belanghebbende was directeur bij een BV en zijn arbeidsovereenkomst werd ontbonden met een vergoeding van ƒ 205.000, waarvan ƒ 100.000 als immateriële schadevergoeding was toegekend. De kern van het geschil betrof de vraag of deze immateriële schadevergoeding als loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 moet worden beschouwd.
Belanghebbende stelde dat de vergoeding strekte tot betering van zijn eer en goede naam en daarom onbelast zou moeten zijn. Het hof oordeelde echter dat de belastingrechter niet gebonden is aan de kwalificatie van de Kantonrechter en dat het verband met de dienstbetrekking doorslaggevend is. Het hof vond geen voldoende bewijs dat de vergoeding uitsluitend diende ter betering van de eer en goede naam.
De vergoeding werd eerder gezien als compensatie voor psychisch leed verbonden aan de afwikkeling van de dienstbetrekking. Belanghebbende slaagde er niet in zijn stelling aannemelijk te maken, waardoor het hof het beroep ongegrond verklaarde. Tevens werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De immateriële schadevergoeding van ƒ 100.000 wordt als belastbaar loon aangemerkt en het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.