ECLI:NL:HR:1999:AA2652
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Fleers
- raadsheer Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontbindingsvergoeding en loonbelasting bij aantasting eer en goede naam werknemer
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen van f 101.365,-. Na bezwaar en een ambtshalve vermindering werd het belastbaar inkomen vastgesteld op f 230.424,-. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de aanslag handhaafde.
De kern van het geschil betrof de ontbindingsvergoeding van f 150.000,- die belanghebbende ontving na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. De Kantonrechter had bij de vaststelling van deze vergoeding rekening gehouden met de mogelijkheid dat belanghebbende onschuldig was getroffen door aantasting van zijn eer en goede naam, terwijl anderen buiten schot bleven.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof tegenstrijdig had geoordeeld door enerzijds deze mogelijkheid te erkennen en anderzijds de vergoeding te kwalificeren als loon voor psychisch leed inherent aan de dienstbetrekking. De Hoge Raad verwierp deze klacht en oordeelde dat het Hof terecht aannam dat de vergoeding geen bedrag bevatte dat losstaat van de dienstbetrekking.
De Hoge Raad bevestigde dat de vergoeding als loon in de zin van artikel 22, lid 1, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 moet worden beschouwd. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontbindingsvergoeding wordt als loon aangemerkt.