Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
over en weerafzien van schadevergoedingseisen. De werkgever heeft verzocht het concept aan te passen in die zin dat het bedrag van € 175.000 als brutobedrag zal worden aangemerkt onder de toevoeging dat zij “(het netto equivalent van) de genoemde bruto vergoeding binnen één maand na ondertekening van deze overeenkomst (zal) betalen op een door [belanghebbende] aan te geven fiscaal toegestane en voor [werkgever] niet nadelige wijze.”
3.Het geding in cassatie
Fiscale kwalificatie en belastbaarheid van aan de werknemer verstrekte vergoedingen
-schadevergoedingen – geldt dat zij slechts dan onbelast zijn, indien zij onvoldoende verband houden met de dienstbetrekking. In het arrest is bovendien geoordeeld dat de bewijslast dat een schadevergoeding onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking (en dus niet kwalificeert als loon), op de belastingplichtige rust. Het arrest betrof een belastingplichtige die, nadat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met het familiebedrijf waarbij hij in dienst was, had ontbonden, betoogde dat de vergoeding die hem in dit verband was toegekend, een immateriële-schadevergoeding vormde die, als zodanig, onvoldoende verband hield met de dienstbetrekking. De Hoge Raad oordeelde:
BNB1984/2 en nadien HR (…)
BNB1987/248 nogal eens een onderscheid gemaakt tussen materiële en immateriële vergoedingen waarbij dan de laatste onbelast zouden zijn, doch dit onderscheid is onjuist; ook immateriële schadevergoedingen kunnen belast zijn. Het probleem is dan ook vooral welk gedeelte van de immateriële schadevergoeding voldoet aan het zozeercriterium en welk deel niet. Tot op heden blijkt uit de rechtspraak geen enkel nader criterium voort te vloeien en wordt steeds volstaan met feitelijke oordelen (…)
BNB 2001/150 (https://www.navigator.nl/)nader heeft verduidelijkt gaat het daarbij om omstandigheden zoals afspraken in de arbeidsovereenkomst en rechtspositionele regelingen waaraan de gelaedeerde een recht op vergoeding ontleent. Daaronder is niet te begrijpen een minnelijke overeenkomst als de onderhavige die, nadat het schadeveroorzakende ongeval zich heeft voorgedaan, wordt opgemaakt ter beëindiging van een lopende procedure.
5.Uitzondering loonbegrip: het voordeel wordt niet als beloningsvoordeel ervaren
wat niet tot het loon behoorde. Aan art. 11 kan Pro dus pas worden toegekomen als op grond van art. 10 van Pro loon sprake is. Van een vrijstellingsregime evolueerde dit tot een regime met ‘normeringen en beperkingen’, maar ook dit laatste regime berustte op het uitgangspunt dat de poort van art. 10 moest Pro zijn gepasseerd om tot een dergelijke vrijstelling te komen.
Kamerstukken II, 1998-1999, 26 728, nr. 3, p. 34).
Bedoelt de Hoge Raad dat een vergoeding van schade aan of verlies van persoonlijke zaken in verband met de dienstbetrekking zonder die vrijstelling steeds tot het loon behoort (zie in dit verband ook mijn commentaar bij NTFR 2008/2486)? Gaat het om een wenk aan de wetgever om de vrijstelling uit te breiden tot vergoedingen van immateriële schade in verband met de dienstbetrekking? Of was het ‘zo maar’ een opwelling om een onbegrijpelijke beslissing nog enigszins van een schaamlapje te voorzien?
6.Beschouwing en beoordeling van de middelen
dusloon uit dienstbetrekking, op een onjuiste rechtsopvatting berust, merk ik het volgende op. Het Hof heeft in r.o. 4.4 (onderdeel 2.3) rechtens vastgesteld dat sprake is van rechtstreeks uit dienstbetrekking genoten loon. Nu dit vaststaat, is slechts dan geen sprake van loon indien belanghebbende aannemelijk maakt dat de vergoeding geen of onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking, in die zin dat het niet als hieruit genoten kan worden aangemerkt. [88] Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien de vergoeding strekt tot betering van eer en goede naam [89] of ter vergoeding van onnodig veroorzaakt leed voor (het gezin van) de belastingplichtige. [90] Het Hof acht belanghebbende niet in het bewijs daarvan geslaagd. ’s Hofs (eerdere) vaststelling, dat sprake is van uit dienstbetrekking genoten loon, blijft zodoende onaangetast. ’s Hofs overweging omtrent het ‘zozeer’-criterium (r.o. 4.4 in onderdeel 2.3) doet daar niet aan af. Ook dit middelonderdeel van belanghebbende faalt.
‘Uw brief van 30 april jl. en een nader overleg met de Belastingdienst over uw aanhangig gemaakte kwestie laten mij geen andere mogelijkheid dan thans de u nog toekomende €85.000,- onder voorafgaande inhouding van de geldende toonheffing aan u over te maken.’(…)