ECLI:NL:GHARN:2008:BD9626
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Hermans
- Melssen
- Van der Meer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling goede trouw en dwangakkoord in wettelijke schuldsaneringsregeling
In deze zaak behandelt het Gerechtshof Arnhem het beroep van appellant tegen een eerdere uitspraak over de medewerking aan een dwangakkoord en toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Het hof benadrukt dat sinds 1 januari 2008 de schuldenaar moet aantonen dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden.
Het hof herhaalt en nuanceert eerdere overwegingen uit het tussenarrest van 10 juli 2008, waarbij het terugkomt op de verdeling van de bewijslast en het bewijsaanbod. Het hof wijst erop dat het niet redelijk is om op dit moment al consequenties te verbinden aan eerdere verzuimen en geeft geïntimeerden de gelegenheid om binnen gestelde termijnen een schriftuur in te dienen waarin zij hun goede trouw aannemelijk maken.
Daarnaast wordt appellant de mogelijkheid geboden om schriftelijk te reageren op deze stukken. Het hof stelt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, het niet denkbaar is dat van schuldeisers medewerking aan een dwangakkoord kan worden verlangd indien de schuldenaar niet aannemelijk maakt dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald gelaten.
Het hof besluit de verdere beslissing aan te houden en kondigt aan dat op 12 september 2008 het arrest zal worden gewezen, waarbij geen nadere mondelinge behandeling zal plaatsvinden. De procedure wordt hiermee voortgezet met nadruk op een eerlijke procesorde en een zorgvuldige beoordeling van de goede trouw.
Uitkomst: Het hof houdt verdere beslissing aan en stelt partijen in de gelegenheid aanvullende stukken over goede trouw in te dienen.