ECLI:NL:GHARN:2008:BG1724
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake onrechtmatige daad en smartengeld wegens drugssmokkel en detentie
In deze civiele zaak stond centraal of geïntimeerde wist of had moeten weten dat hij drugs zou meenemen tijdens een reis vanuit Turkije naar Nederland, en de toerekenbaarheid van onrechtmatig handelen door appellante. De rechtbank had geoordeeld dat appellante niet was geslaagd in het bewijs dat geïntimeerde op de hoogte was van de drugssmokkel, en kende deels smartengeld toe voor onterechte detentie.
Het hof overwoog dat de verklaringen van geïntimeerde en een derde partij niet wezen op kennis van drugssmokkel door geïntimeerde. De stellingen van appellante waren onvoldoende onderbouwd en het bewijs was niet overtuigend. De verklaring van partijgetuige appellante kon geen bewijs opleveren zonder een sterk begin van bewijs. Ook de door appellante aangevoerde krantenartikelen boden geen steun.
Ten aanzien van de proceskosten oordeelde het hof dat deze toewijsbaar waren aan appellante wegens haar onrechtmatig handelen. Voor de immateriële schade wegens onterechte detentie in Turkije stelde het hof een hogere vergoeding vast dan de rechtbank, rekening houdend met de zware omstandigheden en psychische gevolgen voor geïntimeerde.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het ging om de schadevergoeding en veroordeelde appellante tot betaling van een totaalbedrag van €117.109,- plus wettelijke rente. Verder werden de kosten van het hoger beroep aan appellante opgelegd en werd het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Appellante wordt veroordeeld tot betaling van €117.109,- plus wettelijke rente wegens onrechtmatige daad en onterechte detentie.