ECLI:NL:GHARN:2009:BI1301
Gerechtshof Arnhem
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek schadevergoeding na voorlopige hechtenis en vrijspraak
Het gerechtshof Arnhem behandelde het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Arnhem die een verzoek tot schadevergoeding wegens ondergane voorlopige hechtenis niet-ontvankelijk verklaarde. Appellant was vrijgesproken van het primaire ten laste gelegde feit, maar veroordeeld voor een subsidiair feit met een gevangenisstraf van één week. Het verzoek betrof vergoeding van schade door de voorlopige hechtenis en verzekering.
De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat de zaak niet was geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het hof bevestigde dit oordeel en verwees naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad over de betekenis van het begrip “zaak” in artikel 89 Wetboek Pro van Strafvordering. De term omvat alle feiten waarop het rechtsgeding betrekking had, ook als er meerdere feiten zijn zonder onderling verband.
Het hof oordeelde dat het primaire feit niet als een afzonderlijke zaak kon worden beschouwd en dat er geen ruimte was om vooruit te lopen op een nog niet ingediend wetsvoorstel. Voor de dagen dat appellant zonder geldige titel was gedetineerd, verwees het hof naar een verzoek bij het College van procureurs-generaal. De beschikking van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis wordt niet-ontvankelijk verklaard en de beschikking van de rechtbank bevestigd.