ECLI:NL:GHARN:2009:BI1304

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
23 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
avnr: 638-08
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 Wetboek van StrafvorderingArt. 258 Wetboek van StrafvorderingArt. 313 Wetboek van StrafvorderingArt. 314a Wetboek van StrafvorderingArt. 285 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek vergoeding voorlopige hechtenis wegens samenvoeging feiten tot één zaak

Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 89 Wetboek Pro van Strafvordering tot vergoeding van schade als gevolg van ondergane voorlopige hechtenis en verzekering. Het verzoek betrof twee feiten die oorspronkelijk in verschillende arrondissementen waren behandeld, maar om proceseconomische redenen waren samengevoegd tot één zaak. Verzoeker stelde dat de feiten als afzonderlijke zaken moesten worden beschouwd, omdat er geen samenhang tussen bestond.

Het hof overwoog dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de term “zaak” in artikel 89 Sv Pro dezelfde betekenis heeft als in artikel 258 Sv Pro, waarbij alle feiten op de dagvaarding samen één zaak vormen, ook als er geen verband tussen de feiten bestaat. De advocaat-generaal bevestigde deze uitleg en verwees naar het jaarverslag van de Hoge Raad 2005-2006.

Omdat de zaak niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, maar juist met een voorwaardelijke gevangenisstraf en onttrekking aan het verkeer van een pistool, was er geen grond om de feiten als afzonderlijke zaken te beschouwen. Het verzoek werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Het vonnis werd uitgesproken door het hof Arnhem op 23 februari 2009, waarbij de voorzitter en twee raadsheren het besluit ondertekenden.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding voor schade door voorlopige hechtenis wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de feiten als één zaak worden beschouwd en de zaak niet zonder strafoplegging is geëindigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Pkn: 21-004677-07
Avnr: 638-08
Het hof heeft gezien het op 14 juli 2008 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:
[naam verzoeker],
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],
wonende te [adres verzoeker],
domicilie kiezende te [adres kantoor raadsman],
ten kantore van zijn raadsman,
hierna te noemen verzoeker,
ingediend door mr. [naam raadsman], advocaat te [plaatsnaam], strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering ter zake van schade als gevolg van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis.
Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 27 januari 2009 de advocaat-generaal en verzoeker, bijgestaan door mr. [naam raadsman] voornoemd.
Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal en de brieven met bijlagen van mr. [naam raadsman], respectievelijk gedateerd 10 september 2008 en 4 december 2008.
OVERWEGINGEN
1. Bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van 21 mei 2008 is verzoeker ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging en veroordeeld voor het onder 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk en onttrekking aan het verkeer van een pistool.
2. Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk.
3. De advocaat-generaal heeft volhard bij de eerdere schriftelijke conclusie.
4. De raadsman heeft gepersisteerd bij het verzoek en heeft hiertoe ter zitting aangevoerd dat het op de inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde feit oorspronkelijk een zaak was uit het arrondissement Haarlem. Om proceseconomische redenen is het feit gevoegd bij het op de inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit. Er is echter geen enkele samenhang tussen de feiten. De twee feiten moeten daarom worden beschouwd als twee afzonderlijke zaken. Nu verzoeker voor feit 1 in voorlopige hechtenis heeft gezeten en hij ten aanzien van dit feit ontslagen is van alle rechtsvervolging, vraagt verzoeker vergoeding van de schade die hij als gevolg van het ondergaan van verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden.
5. Op grond van het bepaalde in artikel 89 en Pro verder van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter aan de gewezen verdachte, in het geval de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, en de rechter daarvoor – alle omstandigheden in aanmerking genomen – gronden van billijkheid aanwezig acht, een vergoeding toekennen voor schade die hij heeft geleden ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis.
6. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient in het geval dat een onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, onder “zaak” als bedoeld in artikel 258, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering te worden verstaan “al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had”. De term “zaak” in de zin van artikel 89 van Pro het Wetboek van Stafvordering heeft, nu er sprake is geweest van een onderzoek ter terechtzitting, dezelfde betekenis als in artikel 258, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande dat na de inleidende dagvaarding de grenzen nadien nader kunnen worden bepaald door wijziging der tenlastelegging op de voet van de artikelen 313-314a van het Wetboek van Strafvordering en/of voeging onderscheidenlijk splitsing op de voet van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Indien er meerdere feiten op de dagvaarding staan, dan vormen die feiten de zaak, ook al bestaat tussen die feiten onderling geen verband.
7. De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad nog steeds geldt en daarbij verwezen naar de volgende passage in het jaarverslag 2005-2006 van de Hoge Raad: ‘Anderzijds leidt de uitleg van de term ‘zaak’ in art. 89 en Pro 591a Sv – over welk onderwerp de Hoge Raad in 2001 nog een uitspraak heeft gedaan op een vordering tot cassatie in het belang der wet (zie HR 8 mei 2001, NJ 2001, 508 en 509 m.nt. JdH, LJN AB1502 en AB1509) – nog steeds tot verzoeken om cassatie in het belang der wet in te stellen. Het gaat dan met name om de vraag of een ‘zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel’ ingeval er sprake is van gevoegde zaken waartussen geen relevant verband bestaat en de verdachte slechts voor één van die zaken is veroordeeld. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad valt op te maken dat niet van belang is of er enig verband bestaat tussen de feiten of zaken, maar een aantal afwijkende beschikkingen van het hof en de rechtbank Amsterdam (hof Amsterdam 7 juli 2003, LJN AO0473 en rechtbank Amsterdam 9 augustus 2002, LJN AO3103) heeft op dit punt toch voor onduidelijkheid gezorgd. Nu bij navraag is gebleken dat deze beschikkingen niet kunnen worden aangemerkt als bestendige rechtspraak van de rechtbank of het hof Amsterdam en de rechtspraak van de Hoge Raad duidelijk is, heeft de procureur-generaal het niet nodig geacht om tegen deze beschikkingen cassatie in het belang der wet in te stellen.’ (jaarverslag 2005-2006, Hoge Raad der Nederlanden, p.157-158).
8. Uit hetgeen onder 1. is overwogen, volgt dat de zaak niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. In het licht van hetgeen hiervoor onder 5, 6 en 7 is overwogen, bestaat er geen ruimte om het tenlastegelegde onder 1 als een afzonderlijke zaak als bedoeld in artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering te beschouwen. Verzoeker dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek.
BESCHIKKENDE
Het hof:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, A.E. Harteveld en E.H. Schulten, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. B.P. Snijder, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2009.