ECLI:NL:GHARN:2009:BI1307
Gerechtshof Arnhem
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek vergoeding voorlopige hechtenis bij gecombineerde strafzaken
Appellant was in eerste aanleg vrijgesproken van het ene tenlastegelegde feit en veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen voor het andere. Hij verzocht om vergoeding van schade door ondergane verzekering en voorlopige hechtenis, maar dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen.
Appellant stelde in hoger beroep dat de twee feiten als afzonderlijke zaken moeten worden beschouwd, omdat er geen samenhang tussen bestaat, en dat hij daarom recht heeft op vergoeding voor de voorlopige hechtenis bij het vrijgesproken feit.
Het hof overwoog dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de term “zaak” in artikel 89 Sv Pro dezelfde betekenis heeft als in artikel 258 Sv Pro, waarbij meerdere feiten op de dagvaarding samen één zaak vormen, ook als er geen verband is tussen die feiten.
Daarom is er geen ruimte om het vrijgesproken feit als een afzonderlijke zaak te beschouwen voor vergoeding. Het verzoek is niet-ontvankelijk omdat de zaak niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover deze de beslissing op het verzoek betrof en verklaarde appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 89 Wetboek Pro van Strafvordering.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om vergoeding op grond van artikel 89 Wetboek van Strafvordering.