ECLI:NL:GHARN:2009:BI1334
Gerechtshof Arnhem
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid advocaat-generaal in vordering tot tenuitvoerlegging lijfsdwang wegens vervallen ontnemingsbeslissing
In deze zaak behandelde het Gerechtshof Arnhem een vordering van de advocaat-generaal tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang tegen de veroordeelde. De vordering betrof de betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarop een ontnemingsverplichting was opgelegd bij arrest van het hof in 2004.
De veroordeelde was voor bepaalde feiten in de hoofdzaak vrijgesproken, waardoor de grondslag voor de ontnemingsverplichting voor die feiten verviel. Dit werd bevestigd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in een arrest van november 2005, waarin de veroordeelde ook werd vrijgesproken van het betreffende feit.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 511i van het Wetboek van Strafvordering de beslissing tot ontneming van rechtswege vervalt indien de veroordeling voor die feiten in onherroepelijke zin ontbreekt. Hierdoor is de advocaat-generaal niet-ontvankelijk in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang.
Het hof nam daarbij ook kennis van eerdere processtukken, waaronder het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de aanvullende informatie van het CJIB. De veroordeelde was ondanks oproep niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw. Het hof wees de vordering af en verklaarde de advocaat-generaal niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De advocaat-generaal wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang wegens vervallen ontnemingsbeslissing.