ECLI:NL:GHARN:2009:BI4424

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
18 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Avnr:969-08
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 591a Wetboek van StrafvorderingArt. 9a Wetboek van StrafrechtArt. 90 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding kosten raadsman na sepot wegens gebrek aan bewijs

Het gerechtshof Arnhem behandelde het hoger beroep tegen de afwijzing van een verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. De zaak tegen appellant was geseponeerd wegens gebrek aan wettig bewijs, zonder oplegging van straf of maatregel.

Het verzoek betrof een bedrag van € 21.107,42 voor kosten van de raadsman, vermeerderd met een forfaitair bedrag voor de behandeling van het verzoekschrift. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat de strafzaak was geseponeerd op procedurele gronden en appellant niet kon worden aangehouden.

Het hof stelde vast dat uit de overgelegde stukken, waaronder een urenstaat en een bankafschrift, niet kon worden vastgesteld of de kosten uitsluitend betrekking hadden op de geseponeerde zaak. Tevens ontbraken declaraties aan appellant. Hierdoor was niet gebleken dat daadwerkelijk kosten van rechtsbijstand waren gemaakt in de betreffende zaak.

Op grond hiervan wees het hof het verzoek af en vernietigde de beschikking van de rechtbank. Ook werden geen kosten toegekend voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van kosten van de raadsman wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gemaakte kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Avnr: 969-08
Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door:
[naam appellant],
geboren te [geboorteplaats] in [geboortejaar],
domicilie kiezende te [adres kantoor raadsman],
ten kantore van zijn raadsman,
hierna te noemen appellant.
Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Almelo van
10 september 2008 houdende de beslissing op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 7 april 2009 de advocaat-generaal.
De raadsman, [naam raadsman A], advocaat te [plaatsnaam], heeft bij faxbericht van
6 april 2009 laten weten dat noch hij, noch appellant in raadkamer zal verschijnen en dat de zaak buiten hun tegenwoordigheid kan worden behandeld.
Het hof heeft kennis genomen van:
- het verzoekschrift, ingediend op 7 juli 2008 ter griffie van de rechtbank Almelo door [naam raadsman A] voornoemd;
- de brief d.d. 26 augustus 2008 met bijlagen van [naam raadsman A] voornoemd, waarbij het verzoek voornoemd wordt gewijzigd;
- het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek door de rechtbank op 3 september 2008;
- voormelde beschikking van de rechtbank;
- de akte rechtsmiddel van 23 september 2008, opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Almelo, waarbij door appellant hoger beroep werd ingesteld tegen voormelde beschikking;
- de overige zich in het dossier bevindende stukken.
OVERWEGINGEN
1. De officier van justitie bij het Functioneel Parket, locatie Zwolle, heeft per brief van 8 mei 2008 aan de raadsman bericht dat het opsporingsonderzoek tegen appellant is stopgezet en daarmee is geseponeerd bij gebrek aan wettig bewijs. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
2. Naar het hof begrijpt, strekt het verzoek na wijziging bij brief van 26 augustus 2008 tot toekenning van een bedrag van € 21.107,42, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor kosten van de raadsman, te vermeerderen met een forfaitair bedrag voor de indiening en behandeling van het inleidend verzoekschrift.
3. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, nu de strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd op procedurele gronden: verzoeker kon niet worden aangehouden, omdat hij in [naam land] verbleef.
4. Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Appellant kan in zoverre daarin worden ontvangen.
5. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing waarvan beroep.
6. Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman.
Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
7. Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadsman niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman en zo ja tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadsman gedeclareerde tijd of het door hem gehanteerde uurtarief.
8. De kosten van de raadsman komen slechts voor vergoeding op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking voor zover deze kosten daadwerkelijk – en binnen de in dat artikel gestelde termijn - ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen. De kosten worden in beginsel ten laste van de gewezen verdachte gebracht door middel van een (of meer) aan hem gerichte declaratie(s). Met die declaratie(s) wordt tevens de omvang van de kosten van rechtsbijstand gefixeerd. Bij het verzoekschrift is weliswaar een urenstaat gevoegd van [naam raadsvrouw B], [naam raadsman C] en [naam raadsman A], allen advocaat te [plaatsnaam], maar op grond daarvan kan niet worden vastgesteld of die verleende diensten (uitsluitend) betrekking hebben op de bij brief van 8 mei 2008 geseponeerde zaak van appellant. Verder is overgelegd een dagafschrift van een bankrekening van [naam raadsman D] te [plaatsnaam], met de vermelding dat op 13 februari 2006 een betaling van € 20.000,-- is ontvangen betreffende verzoeker, maar waarop die betaling betrekking heeft, is onduidelijk. (Voorschot-)declaraties van de raadsman aan appellant zijn niet overgelegd. Het een en ander leidt tot de conclusie dat niet is gebleken dat daadwerkelijk kosten van rechtsbijstand in de zaak waarop het verzoek ziet aan appellant in rekening zijn gebracht. Verzoeker heeft mitsdien geen kosten van de raadsman in de zin van dat artikel gemaakt. Het verzoek zal dan ook in zoverre worden afgewezen.
9. Gelet op de reden waarom het verzoek wordt afgewezen, zijn er ook geen redenen om de kosten voor indiening en behandeling van het verzoekschrift toe te wijzen.
10. Het hof zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen de beschikking waarvan beroep vernietigen.
BESCHIKKENDE
Het hof:
- vernietigt de beschikking waarvan beroep en wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, mr.
E.H. Schulten en mr. F.J.H. Rutgers van der Loef, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. I.H.A. Bijl griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2009.