ECLI:NL:GHARN:2009:BL7464
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot tussentijdse opzegging van verzekeringsovereenkomst en redelijkheid daarvan
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellant bevoegd was om zijn verzekeringsovereenkomst tussentijds op te zeggen en of het gebruik van die bevoegdheid onaanvaardbaar was volgens redelijkheid en billijkheid. Het hof bevestigde dat artikel 7:940 lid 3 BW Pro appellant niet belette tot tussentijdse opzegging.
RVS voerde aan dat de opzegging onaanvaardbaar was omdat appellant bewust een vijfjarig contract met premiekorting was aangegaan en vervolgens gebruik maakte van het nieuwe wettelijke recht tot tussentijdse opzegging, wat RVS financieel zou benadelen. Het hof verwierp deze stelling omdat RVS haar polisvoorwaarden niet tijdig had aangepast en de risico’s van de nieuwe wetgeving voor haar rekening komen.
Het hof oordeelde verder dat het overstappen naar een andere verzekeraar vanwege een lagere premie geen reden is om de opzegging onaanvaardbaar te achten. Ook de financiële consequenties voor RVS, waaronder misgelopen premie-inkomsten en niet terug te vorderen provisies, zijn een ondernemersrisico en kunnen niet worden afgewenteld op appellant.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde voor recht dat appellant bevoegd was tot tussentijdse opzegging zonder dat een zwaarwegend motief vereist is. RVS werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties en in de nakosten, met toekenning van wettelijke rente.
Uitkomst: Appellant had bevoegdheid tot tussentijdse opzegging van de verzekeringsovereenkomst en deze opzegging was niet onaanvaardbaar; vonnis rechtbank wordt vernietigd.