ECLI:NL:RBARN:2007:BB8208
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tussentijdse opzegging verzekeringsovereenkomst en zorgplicht loondienstagent
De zaak betreft een geschil over de tussentijdse opzegging van een verzekeringsovereenkomst door de verzekeringnemer, waarbij de uitleg van artikel 7:940 lid 3 BW Pro centraal staat. De verzekeringnemer had een paraplupakket afgesloten bij RVS Schadeverzekering N.V. en wenste dit tussentijds op te zeggen per 1 januari 2007. RVS weigerde deze opzegging.
De kern van het geschil is of de beperking in de vierde volzin van artikel 7:940 lid 3 BW Pro, die bepaalt dat de verzekeraar slechts tussentijds kan opzeggen op gronden die van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van hem kan worden gevergd, ook geldt voor de verzekeringnemer. De rechtbank stelt vast dat deze beperking ook voor de verzekeringnemer geldt, om evenwichtige opzegmogelijkheden te waarborgen.
Daarnaast speelt de vraag of de loondienstagent van RVS zijn zorgplicht heeft geschonden door de verzekeringnemer niet tijdig te informeren over de noodzaak van aanpassing van de opstalverzekering in verband met verbouwingen. De rechtbank wijst erop dat een loondienstagent dezelfde zorgplicht heeft als een assurantietussenpersoon en draagt de verzekeringnemer op dit tekortschieten te bewijzen.
De rechtbank wijst de primair gevorderde verklaring van recht af en verleent verlof om hoger beroep in te stellen tegen dit tussenvonnis, gezien het principiële karakter van de uitleg van artikel 7:940 lid 3 BW Pro. Verder wordt het bewijsproces voorbereid met getuigenverhoren en bewijsstukken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de primair gevorderde verklaring van recht af en draagt de verzekeringnemer op bewijs te leveren omtrent het tekortschieten van de loondienstagent.