ECLI:NL:GHARN:2010:BM5271
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- E. van der Herberg
- G. Mintjes
- J.H.M. Zwinkels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheidsduur voorlopige machtiging onder opschortende voorwaarde bij beëindiging TBS-maatregel
In deze zaak stond de vraag centraal of de geldigheidsduur van veertien dagen voor een voorlopige machtiging op grond van de wet BOPZ ook geldt bij een machtiging onder opschortende voorwaarde van beëindiging van een TBS-maatregel. De rechtbank Amsterdam had de verlenging van de TBS afgewezen en een voorlopige machtiging verleend onder opschortende voorwaarde. De officier van justitie ging in hoger beroep tegen de afwijzing van de verlenging.
Het hof stelde vast dat de wetgever geen regeling heeft getroffen voor voorlopige machtigingen onder opschortende voorwaarde en dat jurisprudentie hierover geen expliciete richtlijnen geeft. Het hof interpreteerde de regelgeving zo dat de tenuitvoerlegging van een dergelijke voorlopige machtiging binnen veertien dagen na het onvoorwaardelijk eindigen van de TBS moet plaatsvinden.
De deskundigenrapporten gaven aan dat betrokkene beter past binnen een civielrechtelijke BOPZ-maatregel in een GGZ-instelling, waar voldoende waarborgen zijn voor behandeling en beveiliging. Gezien de problematiek van betrokkene achtte het hof verlenging van de TBS niet langer noodzakelijk, omdat de behandeling onder de BOPZ-maatregel kan worden voortgezet.
Het hof vernietigde de beslissing van de rechtbank Amsterdam en wees de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling af, waarmee het verblijf en de behandeling van betrokkene binnen het civielrechtelijke kader kunnen worden voortgezet.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling af en bevestigt de geldigheid van de voorlopige machtiging onder opschortende voorwaarde.