ECLI:NL:GHARN:2010:BM9849
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof vermindert heffingsrente wegens schending zorgvuldigheidsbeginsel bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting
Belanghebbende werd door de Inspecteur een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd voor het jaar 2002, waarbij een voorlopige teruggaaf van €1.648 werd toegekend. Na ontvangst van de aangifte van belanghebbendes echtgenoot werd de aanslag aangepast, waarbij belanghebbende €1.468 moest terugbetalen plus €161 aan heffingsrente.
Belanghebbende stelde bezwaar in tegen de aanslag en heffingsrente, maar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Na diverse procedures, waaronder cassatie door de Hoge Raad, werd het geschil verwezen naar het Gerechtshof Arnhem.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur slaagde in de bewijslast dat belanghebbende een verzoek om voorlopige teruggaaf had ingediend. Echter, het Hof vond dat de Inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door niet binnen drie maanden na ontvangst van de aangifte van de echtgenoot een nadere voorlopige aanslag op te leggen. Daarom werd de heffingsrente beperkt tot het tijdvak van 1 januari 2003 tot 24 juli 2003.
Het Hof vernietigde de eerdere uitspraak op bezwaar, verklaarde belanghebbende ontvankelijk, en veroordeelde de Inspecteur tot betaling van proceskosten van €75. De Inspecteur kon tegen deze uitspraak binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het Gerechtshof vermindert de heffingsrente tot het tijdvak 1 januari 2003 tot 24 juli 2003 en veroordeelt de Inspecteur in proceskosten.