ECLI:NL:HR:2011:BQ8230
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingsrente en zorgvuldigheidsbeginsel bij voorlopige teruggaaf algemene heffingskorting
Belanghebbende had voor het jaar 2002 een voorlopige teruggaaf van de algemene heffingskorting (AHK) ontvangen, waarna een aanslag werd opgelegd waarbij heffingsrente werd berekend. De rechtbank verklaarde het bezwaar van belanghebbende tegen de heffingsrente gegrond en beperkte de heffingsrente.
Het Gerechtshof Arnhem vernietigde de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de aanslag en heffingsrente, maar het arrest werd door de Hoge Raad vernietigd en verwezen naar het Hof Arnhem voor verdere behandeling. Het Hof verklaarde het bezwaar van belanghebbende gegrond en verminderde de heffingsrente.
De Minister van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof, met als kern dat het niet opleggen van een nadere voorlopige aanslag niet leidt tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De Hoge Raad overwoog dat de aangifte van de echtgenoot niet kan worden aangemerkt als een aangifte of verzoek van belanghebbende zelf, zodat de beleidsregel dat binnen drie maanden een voorlopige aanslag moet worden opgelegd niet van toepassing is.
De Hoge Raad oordeelde dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden door het opleggen van de heffingsrente en vernietigde het arrest van het Hof voor zover het bezwaar gegrond werd verklaard. Het incidentele beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de zaak kon worden afgedaan zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het bezwaar van belanghebbende tegen de heffingsrente wordt ongegrond verklaard en de heffingsrente blijft volledig in rekening gebracht.