ECLI:NL:GHARN:2010:BN1397
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over het bestaan van een stille maatschap voor inkomstenbelasting 2000
Belanghebbende stelde dat hij vanaf 1 mei 2000 samen met zijn partner en A B.V. een stille maatschap dreef die een onderneming exploiteerde. Hij voerde aan dat hij meer dan 1225 uren arbeid had verricht en aanspraak maakte op ondernemersfaciliteiten, waaronder willekeurige afschrijving.
De Inspecteur betwistte het bestaan van de stille maatschap vóór eind december 2000 en stelde dat de onderneming feitelijk door A B.V. werd gedreven. Hij wees op het ontbreken van registratie van de maatschap, de administratie op naam van A B.V., en het feit dat A B.V. al vanaf januari 2000 actief was. Ook werd gewezen op het ontbreken van bewijs voor een maatschap en de onlogische structuur gezien de oprichting van besloten vennootschappen.
Het Hof concludeerde dat belanghebbende zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur. Het Hof achtte de door de Inspecteur aangedragen feiten en omstandigheden overtuigend en oordeelde dat de stille maatschap op 1 mei 2000 nog niet bestond. De Hoge Raad had in een eerder arrest het oordeel van het Hof te 's-Hertogenbosch bevestigd dat A B.V. vóór 1 mei 2000 ondernemingshandelingen verrichtte.
Het hoger beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2000 gehandhaafd. Kosten werden niet aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof verklaart het beroep tegen de Inspecteur ongegrond en handhaaft de aanslag inkomstenbelasting 2000.