ECLI:NL:HR:2009:BK4524
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over ondernemerschap in inkomstenbelasting 2000
Belanghebbende werd voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar werd gehandhaafd door de inspecteur. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag, maar het hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde cassatie in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad overwoog dat belanghebbende en zijn partner vanaf 1 mei 2000 een maatschap exploiteerden waarin zij arbeid, kennis en zakelijke relaties inbrachten. Het hof oordeelde dat de maatschap geen onderneming dreef omdat de administratie en omzetbelastingaangiften op naam van D B.V. stonden en de maatschapsovereenkomst niet vermeldde dat een materiële onderneming was ingebracht.
De Hoge Raad stelde dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd en dat de maatschapsovereenkomst juist uitgaat van een gezamenlijke exploitatie van de onderneming voor gemeenschappelijke rekening. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling. Tevens veroordeelde de Hoge Raad de Staat tot vergoeding van de griffierechten en proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem.