ECLI:NL:GHARN:2010:BN9797
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over heffingsrente bij ambtshalve vermindering voorlopige aanslag vennootschapsbelasting
Belanghebbende diende een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting in voor 2006, die door de Inspecteur ambtshalve werd verminderd zonder heffingsrente te vergoeden. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vermindering en het niet vergoeden van heffingsrente, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat bezwaar tegen ambtshalve verminderingen niet open zou staan.
De Rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde de beslissingen van de Inspecteur, maar het Hof stelde vast dat het bezwaar tegen de ambtshalve vermindering wel ontvankelijk moest worden verklaard omdat deze vermindering als een nadere voorlopige aanslag moet worden beschouwd. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur bij zijn keuze voor ambtshalve vermindering onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van belanghebbende, met name het ontbreken van rechtsbescherming en het niet vergoeden van heffingsrente.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en bepaalde dat de ambtshalve vermindering moet worden aangemerkt als een nadere voorlopige aanslag, waartegen bezwaar mogelijk is en waarover heffingsrente moet worden vergoed over de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 juli 2007. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het griffierecht werd aan belanghebbende vergoed en het beroep in de andere zaak niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: De ambtshalve vermindering van de voorlopige aanslag wordt aangemerkt als een nadere voorlopige aanslag, waardoor belanghebbende recht heeft op heffingsrente over de periode 1 juli 2006 tot en met 31 juli 2007.