ECLI:NL:GHARN:2010:BO2096
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1999 met verwijzing HR
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 twee navorderingsaanslagen opgelegd door de Inspecteur, H97 en H98, met betrekking tot het belastbaar inkomen en heffingsrente. De Rechtbank Breda vernietigde beide aanslagen, waarna de Inspecteur hoger beroep instelde bij het gerechtshof. De Hoge Raad vernietigde eerdere uitspraken en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem.
In het vervolgproces stelde het hof vast dat belanghebbende niet overtuigend had aangetoond dat de navorderingsaanslagen onjuist waren. De Inspecteur had de navorderingsaanslag H97 verhoogd wegens verkapt dividend en valselijk opgemaakte facturen, en de navorderingsaanslag H98 wegens vermeende inkomsten uit handel in verdovende middelen. Het hof oordeelde dat de Inspecteur bij H97 niet willekeurig mocht handelen en dat de schatting redelijk moest zijn. De schatting van de Inspecteur werd als redelijk beoordeeld, maar de navorderingsaanslag H97 werd toch vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van de dagomzet.
De navorderingsaanslag H98 werd bevestigd, omdat de Inspecteur een redelijke schatting had gemaakt op basis van FIOD-ECD-onderzoeken. De heffingsrente werd niet betwist. Het hof wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door het hof te Arnhem op 12 oktober 2010 en is openbaar gemaakt.
Uitkomst: Navorderingsaanslag H97 vernietigd wegens onvoldoende redelijke schatting, navorderingsaanslag H98 bevestigd.