ECLI:NL:GHARN:2010:BO3625
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- W.L. Valk
- H.L. van der Beek
- Th.C.M. Willemse
- L.L.M. de Lorijn
- H.K.C. Roelofsen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling oproeping medepachter in pachtzaak en partijstelling
In deze zaak staat centraal de vraag of de zoon van de pachter als medepachter kan worden aangemerkt zonder dat hij zelf partij is in het geding. Volgens artikel 7:364 BW Pro kan alleen de zittende pachter vorderen dat een bloed- of aanverwant als medepachter wordt aangemerkt. De wet voorziet niet in een eigen initiatief van de voorgestelde medepachter. Het hof benadrukt dat de voorgestelde medepachter vanwege zijn belang zich wel aan de zijde van de pachter kan voegen, maar dat dit in deze zaak niet is gebeurd.
Het hof stelt dat het niet voldoende is dat de rechter rekening houdt met het standpunt van de voorgestelde medepachter zonder dat deze partij is. De persoon over wie de medepacht wordt beslist, moet zelf partij zijn om zijn belangen adequaat te kunnen behartigen. Daarom moet de pachter zorgdragen voor een tijdige oproeping van de voorgestelde medepachter op grond van artikel 118 Rv Pro.
Het hof draagt de pachter op om alsnog zijn zoon, de voorgestelde medepachter, op te roepen om in het geding te verschijnen, vertegenwoordigd door een advocaat. De procedure wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevond voorafgaand aan dit arrest, en verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: Het hof draagt de pachter op zijn zoon als medepachter tijdig op te roepen en houdt verdere beslissingen aan.