ECLI:NL:GHARN:2010:BP1619
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing Fenex-voorwaarden en bewijs van opdrachtgeverrelatie tussen Viratex en expediteur
In deze civiele procedure staat centraal of Viratex als opdrachtgever kan worden aangemerkt van [appellant], een expediteur, en of zij gebonden is aan de Fenex-voorwaarden. Het hof stelt vast dat Viratex niet vanaf het begin opdrachtgever was, maar vanaf circa april 2000 door rechtstreekse opdrachten en betalingen als (mede)opdrachtgever moet worden beschouwd.
Bewijs werd geleverd via uitgebreide getuigenverklaringen en producties, waaronder faxen en facturen. De verklaringen tonen een evolutie van de relatie waarbij Viratex aanvankelijk via JPL werkte, maar later rechtstreeks opdrachten gaf en betalingen verrichtte. Het hof acht de Fenex-voorwaarden van toepassing, aangezien Viratex een grote onderneming is en bekend was met deze voorwaarden.
De primaire vordering van [appellant] tot zekerheidstelling wordt afgewezen vanwege gebrek aan bewijs over de hoogte van de gestelde zekerheid. Wel is Viratex gehouden zekerheid te stellen voor de aan [appellant] opgelegde naheffingsaanslagen (UTB’s) die betrekking hebben op opdrachten vanaf april 2000. De schadestaatprocedure wordt toegewezen voor verdere vaststelling van schade en kosten. Het hof wijst de reconventionele vordering af en verwijst de zaak naar een rol voor nadere onderbouwing van het deel van de UTB’s dat betrekking heeft op Viratex.
Uitkomst: Viratex is vanaf april 2000 opdrachtgever en gebonden aan Fenex-voorwaarden, zekerheidstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, verklaring voor recht en schadestaatprocedure toegewezen.