ECLI:NL:GHARN:2011:BP9908
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- J.H. Lieber
- B.M. Mens
- W.D. Kolkman
- Rechtspraak.nl
Verdeling nalatenschappen en uitleg legaatclausule in testament
Deze civiele zaak betreft de verdeling van de nalatenschappen van twee zusters van moederszijde, waarbij de broers en zussen in hoger beroep gingen tegen diverse tussenvonnissen en het eindvonnis van de rechtbank Arnhem. Het geschil draait om de uitleg van een legaatclausule in het testament van een van de overledenen, de wijze van verdeling van onroerende zaken en de toepassing van rente en waarderingsmaatstaven.
De broers en zussen stelden dat de rechtbank ten onrechte alle onroerende zaken uit de nalatenschap aan de geïntimeerde had toegedeeld en dat de legaatclausule niet van toepassing was op bepaalde onroerende zaken. Ook voerden zij aan dat rente over inbrengbedragen verschuldigd was en dat de waardering van onroerende zaken onjuist was. Het hof oordeelde dat de legaatclausule wel degelijk ook het onverdeeld aandeel van de overledene in de onroerende zaken omvat, en dat de toedeling aan geïntimeerde terecht was vanwege zijn belang bij de exploitatie van het boerenbedrijf.
Verder stelde het hof vast dat de verkoopopbrengst van een perceel bouwland (object 10) tussen partijen verdeeld moet worden volgens een verdeelsleutel van vier zevende voor geïntimeerde en drie zevende voor de broers en zussen, waarbij geïntimeerde een bedrag van € 206.782,41 aan hen moet betalen. De gevorderde rente werd deels toegewezen vanaf het moment van indiening van de memorie van grieven. De vorderingen tot vernietiging van de akte van verdeling en tot betaling van extra kosten werden afgewezen. Het hof compenseerde de kosten van het hoger beroep en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de meeste vonnissen, verklaart de legaatclausule van toepassing en veroordeelt geïntimeerde tot betaling van diverse bedragen aan de broers en zussen.