[Eiser] c.s. hebben vervolgens een incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid genomen en de rechtbank verzocht zich onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de rechtbank te 's-Gravenhage.
Alvorens voor antwoord te concluderen heeft [verweerster] eveneens een conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid genomen.
De rechtbank heeft bij vonnis van 16 december 1998 [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in hun incidentele vordering verklaard, in het incident zich onbevoegd verklaard om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen en de zaak naar de rechtbank te 's-Gravenhage verwezen.
Na verwijzing heeft [verweerster] de vorderingen bestreden en in reconventie gevorderd [eiser] c.s. te veroordelen tot voldoening aan haar van alle kosten, schaden en interessen, die zij leed, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het leggen van conservatoir beslag op de nalatenschap en het niet kunnen voldoen aan de tijdige en volledige betaling van de voorlopige aanslag van het recht van successie d.d. 14 september 1998.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 1 juni 1999 een comparitie van partijen gelast.
Na de op 5 juli 1999 gehouden comparitie van partijen hebben [eiser] c.s. de vordering in reconventie bestreden en hun eis in conventie vermeerderd met een vordering tot veroordeling van [verweerster] in de kosten van de verhuizing van de roerende zaken vanuit de woning van erflater naar de opslagplaats, alsmede in de kosten van de opslag van die roerende zaken ten bedrage van ƒ 320,-- per maand, en wel vanaf juli 1998 tot en met september 1999 een bedrag van ƒ 4.800,-- en voor opslagkosten na september 1999 een bedrag p.m.
De rechtbank heeft bij vonnis van 24 mei 2000 in conventie de vorderingen afgewezen en in reconventie de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating door [verweerster] over de door haar geleden schade. Bij eindvonnis van 6 december 2000 heeft de rechtbank de vordering in reconventie toegewezen.
Tegen de vonnissen van 1 juni 1999 en 24 mei 2000 hebben [eiser] c.s. bij exploot van 21 juli 2000 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Dit appel is bij het hof ingeschreven onder rolnummer 00/963.
Tegen het vonnis van 6 december 2000 hebben [eiser] c.s. bij exploot van 2 maart 2001 hoger beroep ingesteld bij voormeld hof, welk appel bij dat hof is ingeschreven onder rolnummer 01/406. In deze laatste zaak heeft [verweerster] incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 15 november 2001 heeft het hof op verzoek van [eiser] c.s. voeging van beide zaken gelast en de zaken naar de rol verwezen voor voortprocederen.
Het hof heeft bij arrest van 16 januari 2003 (rolnummer 00/963) de bestreden vonnissen bekrachtigd en bij arrest van 16 januari 2003 (rolnummer 01/406) in het principaal beroep [eiser] c.s. niet-ontvankelijk verklaard voor zover hun beroep op het tweede tussenvonnis van 24 mei 2000 betrekking heeft en het bestreden tweede tussenvonnis van 24 mei 2000 bekrachtigd. In het incidentele beroep heeft het hof het bestreden eindvonnis van 6 december 2000 vernietigd, [eiser] c.s. veroordeeld de schade, waaronder kosten en rentederving, aan [verweerster] te voldoen die [verweerster] als gevolg van de in het kader van dit geschil door [eiser] c.s. gelegde conservatoire beslagen heeft geleden, alsmede als gevolg van het niet tijdig en volledig kunnen voldoen aan haar verplichting tot de betaling van de betrokken voorlopige aanslag in het recht van successie, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en het meer of anders door [verweerster] gevorderde afgewezen.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.