ECLI:NL:GHARN:2011:BR0323
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bewijs van opdracht tot reparatie auto; vordering afgewezen
In deze civiele zaak stond centraal of appellant opdracht had gegeven tot reparatie van zijn auto bij geïntimeerde, die de onderneming voortzette van een inmiddels ontbonden vennootschap onder firma. De rechtbank had eerder vonnissen gewezen die appellant tot betaling veroordeelden.
Het hof oordeelde dat de vennootschap niet meer bestond ten tijde van de dagvaarding, maar dat geïntimeerde als eenmanszaak de onderneming voortzette en ontvankelijk was. De bewijslast rustte op geïntimeerde om aan te tonen dat appellant opdracht had gegeven tot reparatie in november 2000.
Geïntimeerde en een partijgetuige verklaarden dat de auto gerepareerd was na een aanrijding en dat appellant de auto met spoed wilde laten repareren vanwege een geplande vakantie. Appellant en zijn moeder ontkenden de aanrijding en de opdracht tot reparatie, en stelden dat de auto al was verkocht in september 2000.
Het hof vond de verklaringen van geïntimeerde en getuige inconsistent en onvoldoende overtuigend, terwijl appellant's stellingen niet waren weerlegd met concreet bewijs. Daarom stelde het hof vast dat de opdracht tot reparatie niet was bewezen en wees de vordering af. De eerdere vonnissen werden vernietigd en geïntimeerde werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot betaling van reparatiekosten is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van opdracht tot reparatie.