ECLI:NL:GHARN:2011:BU3293
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over paulianeuze werking bodemverhuurconstructie en verrekening huurpenningen
In deze civiele zaak stond centraal of een door de bank toegepaste bodemverhuurconstructie paulianeus was en of de bank terecht huurpenningen verrekende met haar vordering op de failliet [X]. De bank had een stil pandrecht omgezet in een vuistpand via een huurovereenkomst met een derde partij. De curator betoogde dat deze constructie en de verrekening in strijd waren met de Faillissementswet, met name artikel 42 en Pro 54 Fw.
Het hof oordeelde dat de omzetting van het stil pandrecht in een vuistpand via een huurovereenkomst geen onverplichte rechtshandeling is en niet leidt tot benadeling van schuldeisers. De keuze voor de bodemverhuurconstructie was een gerechtvaardigde en gebruikelijke methode om het pandrecht te effectueren. De curator kon niet aantonen dat schuldeisers hierdoor werden benadeeld.
Wel oordeelde het hof dat de bank onrechtmatig handelde door huurpenningen te verrekenen met haar vordering op de failliet terwijl zij niet te goeder trouw was bij het aangaan van de schuld en het pandrecht op de huurvordering. Dit maakte de verrekening onrechtmatig op grond van artikel 54 Fw Pro. De bank werd veroordeeld tot betaling van de huurpenningen over de periode 12 oktober 2007 tot 17 december 2007, vermeerderd met wettelijke rente.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Almelo en sprak zelf recht, waarbij de primaire vordering van de curator werd afgewezen en de subsidiaire vordering tot betaling van huurpenningen werd toegewezen. De bank werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: De bodemverhuurconstructie is niet paulianeus, maar de bank moet huurpenningen verrekenen wegens gebrek aan goeder trouw.