Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Beantwoording van de prejudiciële vraag
vorderingvan een derde op de schuldenaar (de latere gefailleerde). [24] De voorliggende vraag ziet op de overname (in ruime zin) van een
schuldvan een derde. Ook het arrest Mulder q.q./CLBN (hiervoor onder 2.10) is naar zin en strekking niet van toepassing. Op de vordering van de schuldenaar (de latere gefailleerde) op de derde die door overschrijving op de bankrekening van de schuldenaar wordt voldaan, had de bank geen recht van voorrang. De bank continueert dus niet een reeds bestaande voorrang, maar pretendeert die voorrang krachtens het openbaar pandrecht te hebben verkregen juist op het moment dat naar aanleiding van de betaling door de derde een vordering van de rekeninghouder op de bank ontstaat.
Verpanding van de vordering op de bank niet zinvol.In verband met het voorafgaande verdient opmerking dat het louter doen vestigen van een (openbaar) pandrecht op de vordering van de cliënt jegens de bank uit hoofde van de creditering van diens bankrekening geen oplossing biedt voor het hiervóór geschetste probleem, en zulks ongeacht of de rekening van de cliënt een
debetsaldo of een
creditsaldo vertoont. Was de vordering van de cliënt ter zake van de koopprijs niet aan de bank verpand, en zou aan de bank een beroep op verrekening worden toegestaan, dan verschaft de bank zich toch weer een uitzonderingspositie ten opzichte van andere schuldeisers. Is de vordering van de cliënt op de bank uit hoofde van de creditering van diens bankrekening eenmaal behept met het gebrek van art. 54 Fw Pro (vanuit de positie van de bank is sprake van een “overgenomen schuld” als in dit artikel bedoeld), dan kan een nadien door de bank verkregen pandrecht op die vordering daaraan niets meer afdoen, ook niet indien de vestiging van het pandrecht zelf niet met een beroep op de actio Pauliana zou kunnen worden bestreden.’
nadatzij op 17 januari 2005 de kredietovereenkomst had opgezegd en
nadatzij tegelijkertijd te kennen had gegeven dat de limiet van het rekening courantkrediet per direct diende te worden teruggebracht tot nihil, en voorts
nadatzij op diezelfde dag de reeds bestaande debetstand op de rekening van Transportbedrijf B had gesaldeerd met een bedrag van € 77.561, de debetstand op de rekening van Transportbedrijf B heeft laten toenemen, en de aldus ontstane debetstand tot tweemaal toe heeft aangevuld met bedragen die waren overgeboekt van de rekening van A Transport.
gehoudenwas jegens Transportbedrijf B de bewuste betaalopdrachten uit te voeren en daarmee de debetstand op haar rekening verder te laten oplopen.’