ECLI:NL:GHARN:2011:BV0721
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beëindiging pachtovereenkomst wegens ondeelbaarheid en medewerking pachtwijziging
In deze civiele zaak ging het om de vraag of de pachtovereenkomst, gesloten tussen appellante en haar overleden echtgenoot enerzijds en hun dochter anderzijds, per 31 december 2011 kon worden beëindigd. Appellante had de pachtovereenkomst opgezegd en vorderde beëindiging of ontbinding van de overeenkomst. De pachtkamer wees deze vorderingen af omdat de opzegging niet aan alle gezamenlijke erfgenamen was gericht, wat volgens de Pachtwet vereist is.
Appellante voerde in hoger beroep drie grieven aan: dat de pachtrechten uitsluitend aan geïntimeerde toekwamen door de ouderlijke boedelverdeling, dat geïntimeerde als executeur-testamentair bevoegd was en dat het verweer van geïntimeerde misbruik van recht was vanwege het niet informeren over de pachterstatus van de kinderen. Het hof verwierp deze grieven, overwegende dat een ouderlijke boedelverdeling pas werking krijgt na medewerking van de verpachter en goedkeuring van de grondkamer, en dat de kinderen van de overleden dochter mede pachter zijn.
Het hof benadrukte de ondeelbaarheid van de pachtverhouding, waardoor opzegging en beëindiging jegens alle pachters moeten plaatsvinden. Ook wees het hof het beroep op misbruik van recht af wegens onvoldoende onderbouwing en het feit dat de kinderen niet buitengesloten kunnen worden. Het bewijsaanbod van appellante werd gepasseerd omdat het niet tot een andere beslissing kon leiden.
De conclusie was dat appellante niet-ontvankelijk was in haar hoger beroep tegen het eerdere vonnis en dat het vonnis van 12 mei 2010 werd bekrachtigd. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de beëindiging van de pachtovereenkomst afwijst en verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.