In deze civiele zaak staat de uitleg van afspraken rondom het uittreden van Mocomar uit de maatschap Lodder & Co centraal. Mocomar was sinds 1994 vennoot en trad in 1999 uit. Het geschil betreft de financiële afwikkeling van deze uittreding, waarbij partijen wederzijdse vorderingen instelden.
Het hof bevestigt dat de vorderingen van Mocomar zich beperken tot de vennoten die op 29 juni 1999 deel uitmaakten van de maatschap. Later toegetreden vennoten, waaronder Barracuda IJsselstein B.V., worden niet aansprakelijk gehouden. Verder oordeelt het hof dat Esox Belastingadviesgroep B.V. en [A] op 20 mei 1999 deel uitmaakten van de maatschap, gebaseerd op ondertekende overeenkomsten.
De afspraken bij toetreding van Mocomar zijn gebaseerd op de maatschapsovereenkomst en de goodwillovereenkomst van 20 mei 1999. Het hof stelt vast dat Mocomar aanspraak kan maken op een exitgoodwillvergoeding, gefixeerd per 31 december 1996, ondanks betwisting door Lodder c.s. Overige vorderingen worden deels afgewezen of vernietigd, en de proceskosten worden verdeeld. De zaken worden terugverwezen naar de rechtbank voor verdere afhandeling.