ECLI:NL:GHARN:2012:BV9731
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over persoonsgebonden aftrek lijfrente-uitkering en vertrouwensbeginsel
Belanghebbende maakte in hoger beroep bezwaar tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem die haar aanslag inkomstenbelasting voor 2007 had verminderd, waarbij zij de aftrek van een lijfrente-uitkering aan haar partner betwistte. De Inspecteur had eerder het standpunt ingenomen dat deze uitkering niet aftrekbaar was omdat geen sprake was van een dringende morele verplichting tot levensonderhoud.
Het hof stelde vast dat de uitkering voortkomt uit een testamentaire last en dat de partner van belanghebbende een eigen woning had en ingeschreven stond op dat adres. De Inspecteur had het vertrouwen gewekt dat de aftrek tot 2006 geaccepteerd werd, maar had dit vertrouwen per 1 januari 2007 opgezegd. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat er sprake was van een dringende morele verplichting die aftrek rechtvaardigt.
Het hof overwoog dat de Inspecteur gerechtigd was het vertrouwen op te zeggen en dat de aftrek slechts tot de datum van opzegging kon worden toegestaan. Ook de proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat geen sprake was van onzorgvuldig handelen van de Inspecteur. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.