ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ5925
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over waardering onroerende zaken en proceskosten in vennootschapsbelasting
In deze zaak staat de waardering van onroerende zaken per 30 december 2005 centraal, waarbij belanghebbende zich beroept op het vertrouwensbeginsel om aan te sluiten bij een in 2002 vastgestelde waarde van ƒ 767.000. De Inspecteur stelt een hogere waarde van €1.500.000 voor. Daarnaast is in geschil of belanghebbende recht heeft op volledige vergoeding van proceskosten.
De rechtbank had de aanslag vennootschapsbelasting voor 2005 verminderd en de waarde van de onroerende zaken vastgesteld op €502.000, gebaseerd op WOZ-waarden en het ontbreken van aannemelijk bewijs voor hogere waarden. Het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat belanghebbende niet tijdig tot verkoop was overgegaan en de verkoopprijs lager was dan de eerder overeengekomen waarde.
Het hof bevestigt dat het vertrouwen op de eerdere waardering niet gerechtvaardigd is, mede door het tijdsverloop en het ontbreken van instemming van de Inspecteur met het uitstel. De waarde per overdrachtsdatum wordt vastgesteld op €555.000, rekening houdend met een mogelijke toekomstige woonbestemming en het feit dat het bedrijf nog gebruikmaakt van de locatie. Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard, dat van de Inspecteur deels gegrond, met een aangepaste aanslag en heffingsrente. Proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen aan belanghebbende.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard, dat van de Inspecteur deels gegrond, met een aangepaste aanslag en heffingsrente.