ECLI:NL:GHDHA:2013:CA3419
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aanslag inkomstenbelasting 2008 en verzuimboete na hoger beroep
Belanghebbende was het niet eens met de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2008, de opgelegde verzuimboete en de heffingsrente. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, kwam belanghebbende in hoger beroep bij het Hof.
Het geschil betrof onder meer de juistheid van de aanslag, de hoogte van de verzuimboete en de heffingsrente, alsmede de vraag of het vertrouwensbeginsel was geschonden en of de aanslag terecht was opgelegd ondanks een voorlopige aanslag. Belanghebbende voerde ook aan dat sprake was van vormverzuim en schending van het EVRM.
De rechtbank oordeelde dat de aanslag terecht was vastgesteld, de verzuimboete passend was opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de aangifte, en dat de heffingsrente correct was berekend over het wettelijk bepaalde tijdvak. Het vertrouwensbeginsel werd niet geschonden, en het beroep werd ongegrond verklaard.
Het Hof bevestigde deze overwegingen en oordeelde dat de rechtbank een juiste beslissing had genomen. Het Hof verwierp de argumenten van belanghebbende, waaronder de stelling dat de voorlopige aanslag nietig was en dat de aanslag in strijd was met het vertrouwensbeginsel. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde.
De uitspraak van het Hof werd op 29 mei 2013 in het openbaar uitgesproken, waarbij geen proceskosten werden toegewezen.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat de aanslag inkomstenbelasting 2008, de verzuimboete en de heffingsrente terecht zijn opgelegd en wijst het hoger beroep af.