ECLI:NL:GHDHA:2014:1248
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- M.A.F. Tan-de Sonnaville
- E.M. Dousma-Valk
- T.G. Lautenbach
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing voortzetting huurovereenkomst na overlijden huurder
In deze zaak stond de voortzetting van een huurovereenkomst centraal na het overlijden van de oorspronkelijke huurder, de moeder van appellant. De moeder was op grond van de wet huurder geworden na het overlijden van haar echtgenoot. Toen zij in 2009 naar een verpleegtehuis verhuisde, ging appellant de huur betalen en bleef in de woning wonen. Na haar overlijden in 2011 stelde geïntimeerde dat appellant zonder titel in de woning verbleef.
Geïntimeerde vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming, terwijl appellant verzocht om voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro of op basis van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter wees de vordering tot voortzetting af omdat appellant niet binnen zes maanden na het overlijden van zijn moeder een vordering had ingesteld.
Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de wettelijke termijn van zes maanden dwingend is en slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden overschreden. Het feit dat appellant de huur betaalde en in de woning bleef wonen na het overlijden van zijn moeder, was onvoldoende om af te wijken van deze termijn. De vordering tot ontruiming werd dan ook toegewezen en appellant werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de huurovereenkomst niet wordt voortgezet en veroordeelt appellant tot ontruiming en betaling van huurachterstand.