ECLI:NL:RBROT:2020:7710
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming woning na overlijden huurster
De eigenaar van een woning te Schiedam verhuurde deze aan mevrouw, die in april 2019 overleed. Na haar overlijden bleef haar zoon, die niet als medehuurder stond geregistreerd, in de woning wonen. De eigenaar vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, alsmede betaling van een gebruiksvergoeding.
De zoon stelde dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder voerde en dat hij de huur wilde voortzetten op grond van artikel 7:268 BW Pro. Hij had echter geen vordering binnen de wettelijke termijn van zes maanden na het overlijden ingediend. De rechtbank oordeelde dat deze termijn dwingend is en dat de omstandigheden van de zoon onvoldoende waren om hiervan af te wijken.
De rechtbank wees de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst af en veroordeelde de zoon om de woning binnen twee weken te ontruimen en een gebruiksvergoeding te betalen vanaf november 2019. Ook werd hij veroordeeld in de proceskosten. De vordering tot voortzetting van de huur werd afgewezen vanwege het niet tijdig instellen van de vordering en het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming en betaling gebruiksvergoeding wordt toegewezen, de vordering tot voortzetting van de huur wordt afgewezen.