In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over de waardering van een ziekenhuiscomplex volgens de Wet WOZ. De Inspecteur had de waarde van het complex vastgesteld op €25.067.000, na bezwaar verlaagd naar €24.200.000, terwijl de rechtbank de waarde op €19.217.359 stelde. De kern van het geschil betreft de toepassing van de werktuigenvrijstelling en de restwaarde van installaties.
De rechtbank oordeelde dat de waarde van het complex op de gecorrigeerde vervangingswaarde moet worden gebaseerd en dat de werktuigenvrijstelling onvoldoende was toegepast. De rechtbank stelde de grondwaarde vast op €1.050.000 en corrigeerde de waarde van de gebouwen op basis van een gedetailleerde taxatie. Tevens wees de rechtbank de Inspecteur aan om proceskosten te vergoeden.
Het Hof bevestigt de rechtsopvatting van de rechtbank en stelt vast dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn hogere waardering juist is. Het Hof volgt de rechtbank in de toepassing van de werktuigenvrijstelling, waarbij 16% van de bouwkosten van de ziekenhuisgebouwen buiten beschouwing moet blijven. Ook wordt een lagere restwaarde van 15% voor installaties gehanteerd. Na correctie van de grondwaarde inclusief btw stelt het Hof de waarde vast op €19.413.289. De Inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.