Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2009 en 2010, en tegen opgelegde verzuimboetes wegens het niet tijdig doen van aangifte. De Inspecteur had de aanslagen vastgesteld op een geschat belastbaar inkomen van €50.000 per jaar en boetes opgelegd van respectievelijk €226 en €984, waarvan de boete over 2010 ambtshalve was verlaagd naar €226.
De rechtbank had de beroepen ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat de Inspecteur aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende was uitgenodigd tot het doen van aangifte en dat de bewijslast terecht was omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de aanslagen te hoog waren vastgesteld.
In hoger beroep bevestigt het Hof deze uitspraak. Het Hof acht het aannemelijk dat de uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen op het juiste adres zijn verzonden en dat belanghebbende deze heeft ontvangen. De stelling van belanghebbende dat hij de brieven niet heeft ontvangen wordt als ongeloofwaardig beoordeeld. De Inspecteur heeft een redelijke schatting gemaakt van het belastbaar inkomen, mede gebaseerd op derdenonderzoek en internetgegevens. De door belanghebbende overgelegde jaarstukken zijn inconsistent en onvoldoende om de aanslagen te verlagen.
Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aanslagen en boetes. Proceskosten worden niet aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende kan binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.