Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
- op 17 juni 2014 een brief van 16 juni 2014 met bijlagen;
- op 9 september 2014 een faxbericht met bijlagen;
- op 9 september 2014 een V-formulier met bijlagen;
- op 12 september 2014 een V-formulier met bijlagen;
- op 16 september 2014 een faxbericht met bijlagen.
- de man, bijgestaan door mr. V.K.S. Budhu Lall, plaatsvervanger van zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
- uitgesproken de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 22 maart 1980 te Nickerie, [land];
- bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 920,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- bepaald dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning te [adres 1], en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
- vastgesteld de verdeling, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
[bedrijfsnaam];
verbonden hypotheek en levensverzekering worden aan de vrouw toebedeeld, onder voorwaarde dat de vrouw in staat is de financiering van de echtelijke woning te verkrijgen en de bank bereid is de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan;
18 juli 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
- de door de man te betalen bijdrage aan de vrouw tot haar levensonderhoud te bepalen op nihil ingaande de datum van inschrijving van de echtscheiding, althans op een in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van een in goede justitie te bepalen datum;
- voor zover nog nodig de vrouw te gelasten om haar bankafschriften vanaf 1 januari 2012 tot en met 30 november 2012 te overleggen en wat betreft de bankrekeningen van partijen te bepalen dat ieder de eigen bankrekening behoudt en dat als saldi voor de peildatum zal dienen te gelden 30 april 2012, dan wel een met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid te bepalen peildatum en te bepalen dat de saldi per peildatum tussen partijen bij helfte dienen te worden gedeeld;
- voor wat betreft het onroerend goed gelegen aan de [adres 2] [land], dit aan de man toe te delen onder gehoudenheid van de man om de helft van de waarde van € 45.982,- aan de vrouw te voldoen, waarbij de vrouw de helft van de kosten van de door de man uitgevoerde taxaties moet dragen;
- voor zover polisnummer [nummer 1] niet dezelfde is als polisnummer [nummer 2], ook deze eerste in de verdeling tussen partijen te betrekken en in geval het om dezelfde polis gaat het juiste nummer te vermelden en te bepalen dat een ieder aanspraak heeft op de helft van de waarde van de aanwezige polis(sen).
- primair: het volledige onroerend goed te [land], gelegen aan de [adres 2] derhalve de Noordelijke en Zuidelijke helft van het erf met opbouwen, ten titel van artikel 3:194, lid 2 BW, zonder enige toerekening van de waarde daarvan aan de man, toe te delen aan de vrouw;
- subsidiair:
€ 1.200,- netto per maand. De vrouw heeft nagelaten haar behoefte met onderliggende stukken te onderbouwen. Rekening dient te worden gehouden met de netto hypotheeklast. De man bestrijdt voorts de door de vrouw opgevoerde advocaatkosten, naheffing IB en de kosten van de gemeentebelasting, Ziggo, onderhoud verwarming en verzekeringspremies. Ook de opgevoerde kosten van telefonie, kleding en vakanties vindt de man aan de hoge kant.
€ 2.181,- netto per maand. Nu het inkomen van de vrouw van € 1.400,- netto per maand niet is weersproken, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof behoefte aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud van € 1.145,- bruto per maand.
€ 31.000,- opgemaakt. Dit bedrag stond volgens de man bij zijn vertrek op de [bank 2] spaarrekening en de [bank 3] bonusrekening van partijen. Zij dient dit bedrag aan de gemeenschap te vergoeden. Na zijn vertrek is in ieder geval een bedrag van ten minste € 20.000,- van deze rekeningen verdwenen. De man beroept zich, voor zover het hof uit het petitum in samenhang met de grieven en hetgeen door de raadsman van de man ter zitting naar voren is gebracht begrijpt, primair op artikel 1:164 BW Pro. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat op grond van de redelijkheid en billijkheid bij de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van partijen als peildatum 30 april 2012 wordt gehanteerd, dan wel de datum waarop de gemeenschapsgelden, die door de vrouw zijn opgenomen na het vertrek van de man, nog op de bankrekeningen stonden.
€ 10.000,-. Ter zitting heeft de vrouw verklaard het geld in 2011 van haar zus te hebben geleend en de precieze datum daarvan niet meer te weten. In onder meer haar verweerschrift in hoger beroep staat echter dat zij de lening in 2009 is aangegaan. Een verklaring van de vrouw en haar zus over het bestaan van deze lening die zou zijn opgemaakt op 1 juli 2012, is eerst bij brief van 24 juli 2013 door de vrouw in het geding gebracht. De lening is niet opgenomen in haar IB-aangiften. Voorts stelt de vrouw dat zij de terugbetaling aan haar zus in fasen contant heeft gedaan. In de overgelegde verklaring van 1 juli 2012, ondertekend door de vrouw en haar zus (productie K bij brief van 24 juli 2013), staat echter: “Het totaal bedrag van € 10.000,- is terug betaald aan mevr. [zus] op 25 juni 2012 via de rekening.”
- bij schrijven van 18 juni 2012 (productie 17 bij het hoger beroepschrift) heeft de advocaat van de man de vrouw verzocht de gevolgen van de echtscheiding in goed onderling overleg te regelen. Hierin is opgenomen een opsomming van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap volgens de man, waarbij het onroerend goed te [land] niet staat vermeld;
- in het verweerschrift in eerste aanleg van de man van 13 maart 2013 staat op bladzijde 3:
Onroerende zaken in [land]?
- in de in eerste aanleg door de vrouw op 24 juli 2013 overgelegde stukken bevindt zich als productie I een kopie van de notariële akte van scheiding en (toe)deling van onroerend goed in [land] aan de man;
- de rechtbank oordeelt in de bestreden beschikking dat de vrouw heeft aangetoond dat de man in 2001 eigenaar is geworden van een erf in [land] en gelast een taxatie daarvan;
- de advocaat van de vrouw heeft de bestreden beschikking aan de man laten betekenen op 11 maart 2014;
- overeenkomstig de opdracht van de rechtbank stuurt de vrouw de man op 27 februari 2014 een lijstje van drie mogelijke taxateurs; de man reageert hier niet op;
- in de toelichting bij grief 4 van het hoger beroepschrift van de man erkent de man dat hij blijkens de bij voormelde brief van 24 juli 2013 overgelegde notariële akte het bezit heeft verkregen van de zuidelijke helft van het erf, gelegen aan de [adres 2], bekend onder nummer[adres 2] te [land]; de man ontkent het perceel van zijn broer te hebben gekocht;
- de vrouw legt als productie P bij haar verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende incidenteel appel, een schuldbekentenis van 30 november 2007 van de broer van de man over, als bewijs van de rechten van de man op de Noordelijke helft van het onroerend goed in [land];
- in punt 5 van het verweerschrift in incidenteel appel van de man staat het volgende:
- in punt 13 van het verweerschrift in incidenteel appel erkent de man aan de opschortende voorwaarden voor de overgang van de eigendom van de Noordelijke helft te hebben voldaan;
- in punten 10, 15 en 16 van het verweerschrift in incidenteel appel erkent de man aanvankelijk te hebben ontkend onroerend goed in [land] te bezitten; de man wijt dit aan zijn gemoedstoestand van destijds.