Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Grief IIIstrekt tot betoog dat de rechtbank de man ten onrechte heeft ontvangen in zijn verzoek als bedoeld in art. 1:164 lid 1 BW Pro.
Grief VIis gericht tegen de beslissing dat de vrouw wegens benadeling van de gemeenschap een bedrag ad € 42.583,08 aan de man dient te vergoeden. Met
grief XIwordt betoogd dat de Skoda ten onrechte dubbel in de verrekening is betrokken en dat toedeling zou moeten geschieden tegen een waarde van € 12.950,-.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
aan de man. Daartoe wordt aangevoerd dat de bepaling uitsluitend voorziet in een schadevergoedingsplicht van de benadelende echtgenoot
jegens de gemeenschap. Daarom is volgens het middel onjuist de beslissing van het hof dat de vrouw ten titel van schadevergoeding aan de man zal moeten betalen een bedrag van € 34.488,08 (zie rov. 4.14 en 4.23).
aan de gemeenschap.Dat de schadevergoedingsplicht bestaat jegens de gemeenschap wordt bevestigd in de parlementaire geschiedenis:
‘(…) de actie mondt uitsluitend uit in een schadevergoedingsplicht (…) jegens de gemeenschap (…)’. [11] Hieruit volgt dat tot de ontbonden gemeenschap een vordering op de betrokken deelgenoot behoort. [12] [13]
aan de man. Daarmee ziet het eraan voorbij dat de man in zijn bij akte van 3 juli 2012 gedane verzoek ex art. 1:164 lid 1 BW Pro uitdrukkelijk (subsidiair) heeft verzocht te bepalen dat de vrouw ten titel van schadevergoeding het gehele opgenomen bedrag ad € 85.166,15
aan de gemeenschapvoldoet, in welk verband hij verklaart de in lid 2 van genoemde bepaling bedoelde rechtsvordering in te stellen. Ik verwijs naar de hiervoor (onder 1.4) aangehaalde tekst van de akte. De rechtbank heeft het verzoek van de man dan ook opgevat als strekkende tot terugbetaling
aan de gemeenschapvan het met de benadeling gemoeide bedrag. [14] In zoverre ontbeert het middel feitelijke grondslag.
manjegens de vrouw ten bedrage van de
helftvan de aan de gemeenschap verschuldigde schadevergoeding (ofwel € 34.488,08) resulteert (vgl. art. 3:184 BW Pro). [15] Hiermee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 1:164 BW Pro.
rechtsvordering’. Deze term duidt naar mijn mening op een neutraal begrip dat slechts ziet op de mogelijkheid tot het in rechte geldend kunnen maken van een subjectief recht (vgl. titel 3.11 BW) en geen uitsluitsel geeft omtrent de wijze waarop het betreffende geding moet worden ingeleid: met een dagvaarding (‘vordering’) of een verzoekschrift (‘verzoek’). Uit de parlementaire geschiedenis van art. 1:164 BW Pro kan niet worden afgeleid dat de wetgever de toepassing van de verzoekschriftprocedure steeds heeft willen uitsluiten. Vermeld wordt slechts dat de ‘rechtsvordering’ vervalt binnen drie jaren na de inschrijving van het echtscheidingsvonnis. [16] Verder is van belang dat het onderwerp van art. 1:164 BW Pro zo nauw verweven is met de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, dat het niet doelmatig zou zijn om de schadevergoeding op grond van art. 1:164 BW Pro niet te kunnen betrekken in de echtscheidingsprocedure en de daarbij verzochte verdeling. [17] Aannemelijk is dat de wetgever het neutrale begrip rechtsvordering in art. 1:164 BW Pro heeft gebruikt omdat de schadevergoeding ook nog na voltooiing van de echtscheidingsprocedure, maar uiterlijk binnen drie jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, kan worden gevraagd; in dat geval is de dagvaardingsprocedure van toepassing (vgl. art. 3:179 lid 2 BW Pro). Tegen deze achtergrond meen ik dat de klacht, die uitgaat van de verplichte toepasselijkheid van de dagvaardingsprocedure in het kader van art. 1:164 BW Pro, niet tot cassatie zal kunnen leiden. [18] [19]
onderdelen 1.3 en 1.4dat het hof het op art. 1:164 BW Pro gestoelde verzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek om een nevenvoorziening als bedoeld in art. 827 lid 1 sub f Rv Pro. Daartoe wordt aangevoerd dat de schadevergoedingsactie niet voldoende samenhang vertoont met het echtscheidingsverzoek en niet kan worden aangemerkt als een eenvoudig geschil als door de wetgever bedoeld.
‘voor geschillen die direct verband houden met de betreffende scheidingsproblematiek onnodig afzonderlijke procedures moeten worden gevoerd’aangezien het
‘juist de bedoeling (is) geschillen tussen echtgenoten zoveel mogelijk tezamen in één zitting te behandelen’, zodat het praktisch en efficiënt kan zijn om in het kader van de echtscheidingsprocedure de mogelijkheid te hebben ook andere voorzieningen te verzoeken dan de in art. 827 lid 1 sub Pro a t/m e Rv genoemde specifieke nevenvoorzieningen. [21] Om te voorkomen dat al te lichtvaardig wordt omgegaan met de door art. 827 lid 1 sub f Rv Pro geboden mogelijkheid, heeft de wetgever twee voorwaarden gesteld, te weten dat (i) de verzochte voorziening voldoende samenhang vertoont met het echtscheidingsverzoek en (ii) niet te verwachten is dat de behandeling van de verzochte voorziening tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. Dit betekent ‘
dat de gevraagde voorziening moet aansluiten bij de regeling van de gevolgen van de scheiding’ en ‘
dat de behandeling ervan niet een extra complicerende factor vormt in die zin dat daardoor vertraging in de procedure optreedt’. [22] Gaat het wel om ingewikkelde zaken die het geding aanzienlijk kunnen ophouden, dan is daarvoor een afzonderlijke procedure aangewezen. Weliswaar wordt in de parlementaire geschiedenis in dit verband nog opgemerkt dat het bij de restcategorie van art. 827 lid 1 sub f Rv Pro moet gaan om kwesties van tamelijk eenvoudige aard, [23] maar hier moet vermoedelijk niet al te veel gewicht aan worden toegekend. Het is immers een illusie om te menen dat het bij de overige in art. 827 lid 1 sub Pro a t/m e Rv genoemde specifieke nevenvoorzieningen, zoals die betreffende alimentatie, verdeling en verrekening, steeds om kwesties van eenvoudige aard gaat. De bepaling wordt in de literatuur wel aangemerkt als een vangnet voor niet in de voorgaande onderdelen geregelde gevallen waar het de afwikkeling van de vermogensrechtelijke aspecten van de scheiding betreft. [24] Het gaat erom dat de krachtens art. 827 lid 1 sub f Rv Pro verzochte nevenvoorziening het geding niet
onnodigzal vertragen.
onderdeel 1.5het hof ten onrechte niet (ambtshalve) de wisselbepaling van art. 69 Rv Pro te hebben toegepast.
onderdeel 2worden verschillende klachten geformuleerd tegen de in rov. 4.14 (en daarop voortbouwend rov. 4.19 en 4.23) vervatte beslissing van het hof tot toewijzing van het verzoek van de man ex art. 1:164 lid 1 BW Pro. Voor een juist begrip haal ik ook de voorafgaande overweging aan:
lichtvaardigverspillen van gemeenschapsgoederen en het
zonder redelijke grond opzettelijkbenadelen van de huwelijksgoederengemeenschap, terwijl het hof slechts had dienen te onderzoeken of het verbruiken van de gemeenschapsgelden door de vrouw meebracht dat er sprake is van het ‘verspillen’ van gemeenschapsgoederen waardoor de tussen partijen tot de ontbinding van het huwelijk bestaande huwelijksgoederengemeenschap is ‘benadeeld’.
ofen vervolgens tot de bevinding is gekomen
datsprake is van benadeling door verspilling.
onder abetoogt in de kern dat het hof in rov. 4.14 miskent dat de vrouw tot aan de ontbinding van het huwelijk van partijen op 4 september 2012 zelfstandig bestuursbevoegd was ten aanzien van de gemeenschappelijke gelden (art. 1:97 BW Pro (oud)).
onder averweten art. 1:98 BW Pro (oud) onjuist te hebben toegepast, door te beslissen dat de vrouw op grond van deze bepaling verplicht was om de man steeds en vooraf te informeren over het voornemen om het geld van de gezamenlijke bankrekeningen op te nemen en over de besteding van het opgenomen geld.
onder bberust op de lezing dat naar het oordeel van het hof art. 1:98 BW Pro (oud) de algemene verplichting meebrengt om rekening en verantwoording af te leggen voor het gevoerde bestuur over de gemeenschapsgoederen. Op gelijke gronden als de vorige faalt ook deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.
onder cbouwt voort op de klachten onder a en b en kan daarom evenmin tot cassatie leiden.
onder abetoogt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 4.14 te oordelen dat de man ten opzichte van de meerderjarige zoon aan wie de vrouw zegt gelden te hebben besteed, niet onderhoudsplichtig was. Volgens de klacht miskent het hof dat de man in de periode tot de ontbinding van het huwelijk op 4 september 2012 op de voet van art. 1:82 en Pro/of 1:84 lid 1 BW (oud) gehouden was de kosten van verzorging en opvoeding van deze zoon te dragen.
onder bbetoogt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 4.14 in aanmerking te nemen dat de vrouw volgens vaste rechtspraak haar advocaatkosten met betrekking tot de echtscheidingsprocedure alleen heeft te dragen. Volgens de klacht miskent het hof daarmee dat deze advocaatkosten in de periode tot de ontbinding van het huwelijk hebben te gelden als gemeenschapsschulden. Het oordeel dat de besteding van gemeenschapsgelden aan deze advocaatkosten geldt als het verspillen door de vrouw van gemeenschapsgoederen in de zin van art. 1:164 lid 1 BW Pro is volgens de klacht dan ook rechtens onjuist.
Onder awordt betoogd dat het hof de bewijslast ten onrechte bij de vrouw heeft gelegd door te oordelen dat de vrouw niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij met de ontvangen partneralimentatie haar kosten van levensonderhoud niet heeft kunnen voldoen en niet heeft aangetoond waaraan zij het opgenomen bedrag heeft besteed. Volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rustte op de man de bewijslast van zijn stelling dat de vrouw de huwelijksgoederengemeenschap heeft benadeeld door verspilling van gemeenschapsgelden. Anders dan het hof kennelijk en ten onrechte van oordeel is, behoefde de vrouw volgens het middel niet meer aan te voeren dan zij heeft gedaan – het middel verwijst hiervoor naar de brief van de advocaat van de vrouw van 21 november 2014 en de daarbij overgelegde producties 1 en 2 – om de stelling van de man dat de vrouw gemeenschapsgelden heeft verspild, gemotiveerd te betwisten.
onder bheeft het hof dan ook ten onrechte de stellingen van de vrouw niet aangemerkt als een voldoende gemotiveerde
betwistingvan hetgeen de man aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, in het licht waarvan het hof de man bewijs had moeten opdragen.
onder aover onbegrijpelijkheid van het oordeel dat de vrouw niet
inzichtelijkheeft gemaakt dat zij in de bedoelde periode uit de lopende partneralimentatie de kosten voor haar levensonderhoud niet heeft kunnen voldoen. Daartoe wordt gewezen op het gedetailleerde en met concrete bedragen toegelichte chronologisch overzicht dat als productie 1 en 2 bij brief van 21 november 2014 is overgelegd en waarop namens en door [29] de vrouw ter zitting een beroep is gedaan.
aangetoondwaaraan zij het door haar opgenomen bedrag heeft besteed, waartoe wederom wordt verwezen naar voormeld overzicht.
onderdeel 2.7wordt geklaagd dat het hof in zijn oordeelsvorming ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de essentiële stelling van de vrouw dat zij het opgenomen geld niet heeft verzwegen en de man en de rechtbank heeft geïnformeerd dat zij gedurende de echtscheidingsprocedure tot aan de echtscheiding het geld heeft besteed ten behoeve van
haar zelf en het gezin.Door niet alle door de vrouw in de producties 1 en 2 bij de brief van 21 november 2014 opgevoerde kosten van huishouding in zijn beoordeling te betrekken heeft het hof voorts art. 24 Rv Pro geschonden, aldus de klacht.
p. 15 van het cassatierekest) heeft geen zelfstandige betekenis.