Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Volkerrail Nederland B.V.,
KWS Infra B.V.,
1.De Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu),
2.Combinatie BAM Infra-Cofely-Van den Herik NZK,
BAM Wegen B.V.,
BAM Civiel B.V.,
BAM Infratechniek Mobiliteit B.V.,
BAM Rail B.V.,
Van den Herik Kust- en Oeverwerken B.V.,
Cofely Energy & Infra B.V.,
Voor iedere gegadigde die in aanmerking komt voor een uitnodiging wordt met behulp
De drie gegadigden met de hoogste eindscore worden uitgenodigd. Indien de eindscore
Aanvullend op de drie geselecteerde gegadigden worden er van alle resterende
“Het onderhouden van de (vaar)wegen inclusief bijbehorende kunstwerken, gelegen in het beheersgebied van het waterdistrict Zeeuwse Delta alsmede het uitvoeren van het variabel onderhoud aan voornoemd areaal. (…) Tevens wordt tot het werk gerekend het instandhouden van een storingswachtdienst, het opzetten en onderhouden van een Onderhoud Management Systeem en het opstellen van instandhoudingsplannen.(…)”
- Met betrekking tot referentieopdracht 23:
- Met betrekking tot referentieopdracht 26:
“Kunt U aantoonbaar aangeven welke specifieke werkzaamheden U heeft verricht ten aanzien van onderhoudsmanagement en/of assetmanagement.”Met betrekking tot referentie 26 is gevraagd:
“Kunt U aantoonbaar maken wat uw werkzaamheden inhouden (gedetailleerde omschrijving) met betrekking tot onderzoek en analyse op het gedrag van waterbouwkundige constructies.”
bareervaring. De Combinatie stelt dat zij er daarom mee kon volstaan de basisgegevens van referenties op te sommen waarvan zij meende dat zij kon aantonen dat deze aan de gestelde eis voldeden, en dat Rijkswaterstaat desgewenst haar in de gelegenheid diende te stellen de onderbouwing daarvan later te geven. Zij verwijst in dit verband naar paragraaf 4.5 van het Selectiedocument waaruit volgt dat eerst na een daartoe strekkend verzoek van de Staat bewijsstukken moeten worden overgelegd waaruit blijkt dat de referentie voldoet. Het hof verwerpt dit betoog. Als hoofdregel heeft te gelden dat uit de inschrijving moet blijken dat voldaan is aan de voorwaarden van een selectiedocument. Daar komt in dit geval bij dat uit paragraaf 3.4 lid 3 van het Selectiedocument volgt dat bijlage F “gegevens over de referentieopdracht(en) ten behoeve van nadere selectie” dient te bevatten. In paragraaf 4.5 is opgenomen dat desgevraagd bewijsmiddelen worden verstrekt waaruit blijkt dat de gegevens (…) waarmee de gegadigde beoogt te voldoen aan de geschiktheidseisen en/of selectiecriteria,
juist zijn weergegeven, welke terminologie er ook op duidt dat die gegevens eerder reeds zijn opgenomen. Voor een normaal oplettende en behoorlijk geïnformeerde inschrijver moest daarmee duidelijk zijn dat de beschrijving van een referentie-opdracht in bijlage F zodanig diende te zijn, dat Rijkswaterstaat aan de hand daarvan in staat was te beoordelen of deze referentie voldoet aan de in bijlage G omschreven eisen, zodat hij aan de hand van de beschrijvingen de selectie kon uitvoeren. De stelling van de Combinatie dat zij zou hebben kunnen volstaan met het noemen van de naam van het referentie-project miskent doel en achtergrond van bijlage F en verdraagt zich niet met het feit dat de Combinatie ook zelf wel degelijk informatie over de betreffende referentieprojecten heeft opgenomen.
services“onder
werkzaamhedenin hoofdzaak dienen te worden verricht. De opsomming in paragraaf 2.1.2 van het Selectiedocument is niet limitatief en evenmin is daaruit af te leiden dat
ten minste alledaar genoemde werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Anders dan de Combinatie lijkt te betogen kan uit de opsomming echter ook niet worden afgeleid dat het verrichten van één of enkele van de genoemde services of werkzaamheden steeds voldoende is om aan te nemen dat sprake is van onderhouds- en/of assetmanagement. Voor zover moet worden aangenomen dat hetgeen in deze paragraaf is opgenomen van belang is voor de uitleg van selectiecriterium A, is er voor de Staat aldus een zekere vrijheid om te beoordelen of een bepaalde referentie voldoende overeenkomsten met deze opsomming bevat om aan het selectiecriterium te voldoen. Ook als juist is dat de door de Combinatie genoemde werkzaamheden zijn te scharen onder de in paragraaf 2.1.2 genoemde services, betreft het slechts enkele van de daar genoemde services en heeft de Staat in redelijkheid kunnen oordelen dat daarmee niet is voldaan aan selectiecriterium A.
specifiekewerkzaamheden ten aanzien van onderhoudsmanagement en/of assetmanagement zijn verricht en de Combinatie in haar reactie van 19 mei 2014 feitelijk heeft volstaan met een herhaling van hetgeen zij in referentie 7 al had opgenomen. De inhoud van de opdrachtgeversverklaring van de Staat maakt dit niet anders, aangezien de tekst van referentie 7 in belangrijke mate met die opdrachtgeversverklaring overeen komt. Het hof deelt niet de visie van de Combinatie dat het verzoek om informatie van de Staat onvoldoende specifiek was. Er is immers door de Staat gevraagd om specifieke werkzaamheden te noemen, zodat in het licht van het bepaalde in bijlage G van het Selectiedocument voor de Combinatie voldoende duidelijk moest zijn wat er van haar werd verwacht. Het hof passeert de stelling van de Combinatie dat uit het Selectiedocument niet is af te leiden dat er maar één kans was om de vragen van de Staat te beantwoorden. Een normaal oplettende en redelijk geïnformeerde inschrijver behoort te weten dat de verantwoordelijkheid om een deugdelijk onderbouwde referentie in te dienen bij haar ligt en dat de aanbestedende dienst niet gehouden is net zolang door te vragen totdat de verzochte informatie compleet is. Van een niet-loyale handelwijze als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 10 oktober 2013 (zaak C-336/12) is dan ook geen sprake.
- veroordeelt de Combinatie in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van BCH, tot op heden begroot op € 704,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.