Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 19 augustus 2014
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SPARCK HYPOTHEKEN B.V.,
SBF MAKELAARDIJ OG B.V.,
advocaat: mr. F. Bienfait te Capelle aan den IJssel.
Het verdere verloop van het geding
De beoordeling van het hoger beroep
A. €233.340,81 in hoofdsom (zijnde het in het petitum van de memorie van grieven opgenomen bedrag van €241.587,26 minus het bedrag van €8.236,45 waarmee de vordering in hoofdsom bij schriftelijk pleidooi is verminderd), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2008;
B. €10.784,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2011, ter zake de door Sparck onverschuldigd betaalde proceskosten in eerste aanleg;
C. €2.409,75, te vermeerderen met de wettelijke rente over €1.428,-- vanaf 1 juni 2010 en €981,75 vanaf 7 december 2010 ter zake de door Sparck in eerste aanleg betaalde kosten van de deskundige;
D. €6.592,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de memorie van memorie van grieven, ter zake de door Sparck in het kader van dit hoger beroep overgelegde deskundigenrapporten;
E. €10.784,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2011, ter zake de door Sparck onverschuldigd betaalde proceskosten in eerste aanleg,
met veroordeling van SBF c.s. in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag vanaf het te dezen te wijzen arrest.
grief Iklaagt Sparck erover dat de rechtbank de conclusies van de deskundige tot uitgangspunt van haar beoordeling heeft genomen en heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat SBF c.s. bij het uitvoeren van de taxatie niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot verwacht mag worden. Blijkens de toelichting op deze grief heeft Sparck haar bezwaren tegen de door [geïntimeerde 2] verrichte taxatie in hoger beroep meer toegespitst op de totstandkoming van het rapport en de daarbij gehanteerde uitgangspunten, waarbij zij zich met name beroept op een tweetal rapporten van door haar ingeschakelde deskundigen.
bovengrens van de acceptabele range vormen, derhalve 110% van een (uiteraard denkbeeldig) gemiddelde, dan zou dat betekenen dat 90/110 x €365.000,-- = €299.000,-- als
ondergrens nog acceptabel zou zijn; zou evenwel de door de deskundige vastgestelde waarde de
ondergrens van de range vormen, derhalve 90% van een (denkbeeldig) gemiddelde, dan zou dat meebrengen dat 110/90 x €365.000,-- = €446.000,-- als
bovengrens ook nog acceptabel zou zijn. Die benadering zou derhalve tot een bandbreedte leiden waarvan de bovengrens (€446.000,--) bijna 50% hoger is dan de ondergrens (€299.000). Bij een dergelijke bandbreedte van acceptabele waarden zou er aan professionele taxateurs vermoedelijk weinig behoefte bestaan.
“Koper, de heer [betrokkene 2], wil een moderne badkamer met bubbelbad, nieuwe douche ruimte, toilet en bidet en dubbele wastafels in het appartement laten inbouwen en vraagt als er op het taxatierapport naast de huidige waarden (vrije verkoop en executie) ook een opgave kan worden gedaan van de waarden na de aangegeven verbetering.”[betrokkene 1] heeft [geïntimeerde 2] – zo heeft deze bij memorie van antwoord naar voren
gebracht – bij de bezichtiging nog verteld dat hij het appartement voor €450.000,-- wilde verkopen. Bij de bezichtiging heeft [geïntimeerde 2] met [betrokkene 2], die zich, door middel van overhandiging van een visitekaartje, als makelaar presenteerde, kennis gemaakt, waarbij deze ook zelf heeft aangegeven dat hij opdrachtgever van het rapport wilde worden en heeft gevraagd of ook de waarde van de te verrichten verbouwing getaxeerd kon worden.
woonoppervlak niet kan worden vastgesteld. Het hof kent wat dit betreft betekenis toe aan de uitspraak van het VBO Tuchtcollege van 23 mei 2008 waarvan Sparck een deel heeft overgelegd, waarin wordt overwogen dat narekenen aan de hand van kadastrale kaarten absoluut ondeugdelijk is, waarbij dit tuchtcollege wijst op de kleine schaal van dergelijke kaarten en het feit dat dergelijke kaarten geen vermelding bevatten van niet beloopbare meters. SBF c.s. heeft de relevantie van deze overweging niet voldoende gemotiveerd bestreden. [geïntimeerde 2] mocht overigens ook niet afgaan op de hiervoor opgenomen afmetingen die hij, handgeschreven, aantrof op de kadastrale legger, reeds omdat, naar Sparck onweersproken heeft gesteld, “b.v.o.” staat voor bruto vloeroppervlak en dit de vloeroppervlakte is zoals gemeten langs de
buitenomtrek van een gebouw, en derhalve geen meting betreft van het woonoppervlak, nog daargelaten dat bruto vloeroppervlak als maat niet verdisconteerd welk deel ervan al dan niet beloopbaar is. Aan het voorgaande kan overigens niet afdoen dat – zoals tussen partijen niet in geschil is – ten tijde van de taxatie door [geïntimeerde 2] nog geen uniforme meetmethode, zoals de NEN 2580 die deskundige [makelaar X] heeft gehanteerd, was voorgeschreven.
– gelet op het gestelde in het Normblad Taxatierapport financiering woonruimte november 2002, dat van zijn rapport deel uitmaakt – wel van hem verwacht mocht worden. Zoals ook Ten Have in zijn hiervoor reeds aangehaalde handboek aangeeft (p. 283), een taxateur dient in zijn rapport aan te geven van welke data en informatiebronnen hij is uitgegaan en ter onderbouwing van de vergelijkende methode dient de taxateur op te geven welke transacties van referentie vastgoedobjecten hij bij zijn waardeoordeel heeft betrokken. [geïntimeerde 2] heeft weliswaar bij conclusie van antwoord sub 55 een aantal vergelijkingstransacties betreffende panden aan de [adres] aangedragen, maar dat een of meerdere daarvan bij de vaststelling van zijn vierkante-meterprijs een rol hebben gespeeld, is
– nog daargelaten dat hij die dan ook in zijn rapport had moeten vermelden – gesteld noch gebleken. Dat [geïntimeerde 2] bij zijn oordeel de hoge kwaliteit van de afwerking, het feit dat de woning voor meerdere jaren onderhoudsarm was, de goede ligging en de potentie van het pand bij een zorgvuldige en geduldige verkoop (CvA 23) bij zijn taxatie heeft betrokken, vormt derhalve niet voldoende onderbouwing van zijn taxatie. Verder kan het feit dat andere taxateurs – zoals hij onderbouwd heeft aangevoerd – tot vergelijkbare prijzen per m2 als hij komen, er niet aan afdoen dat [geïntimeerde 2] zijn taxatie onvoldoende heeft onderbouwd.
geschiktwas, betekent
– anders dan [geïntimeerde 2] bij schriftelijk pleidooi ingang wil doen vinden – uiteraard niet dat hij mocht vermelden dat het pand voor bewoning werd
gebruikt.
grief II.Het hof overweegt als volgt.
1) de vermogensrechtelijke positie waarin de Sparck zich thans als gevolg van de normschending bevindt, en
2) de hypothetische situatie waarin Sparck zich zou bevinden als de normschending aan de zijde van [geïntimeerde 2] zou zijn uitgebleven.
Sparck heeft in deze procedure tot dusver verschillende standpunten ingenomen ten aanzien van wat zij had gedaan wanneer zij had geweten dat de waarde van het appartement lager was dan SBF c.s. hadden bepaald. Zo heeft zij bij conclusie van repliek (sub 23) aangevoerd dat zij bij bekendheid met dit feit “ofwel aanvullende zekerheid [zou] hebben verlangd, ofwel een lager bedrag [zou] hebben uitgeleend aan [betrokkene 2]”. Verder in deze passage stelt zij dat zij “veel minder [had] uitgeleend dan zij nu heeft gedaan”. In hoger beroep heeft Sparck er aanvankelijk (bij memorie van grieven) mee volstaan te stellen dat in het onderhavige geval, net als in een eerdere zaak van het hof waarnaar zij verwijst “ook sprake [is] van een situatie waarbij een financier geen lening zou hebben verstrekt indien de taxateur het onderpand juist zou hebben getaxeerd”, zonder die koerswijziging nader te adstrueren. Eerst bij schriftelijk pleidooi heeft Sparck de stellingen geponeerd dat Edro zonder taxatierapport met een substantieel te hoge waardering nooit aanleiding zou hebben gehad om de woning aan [betrokkene 2] te verkopen en dat Edro in dat geval gedwongen zou zijn geweest de woning te verkopen “tegen een normale prijs aan een normale particulier” (en niet aan [betrokkene 2]). [geïntimeerde 2] heeft dit bestreden en Sparck heeft van deze stellingen geen bewijs aangeboden, zodat het hof daar – mede gelet op het door Sparck in eerste aanleg ingenomen standpunt – aan voorbij zal gaan. Het is ook niet zonder meer begrijpelijk waarom Edro, ingeval ze tegen een lagere prijs zou verkopen, dat niet aan [betrokkene 2] zou doen en evenmin waarom Sparck, die wel bereid is geweest op basis van de haar voorgelegde gegevens aan [betrokkene 2] – met het appartement als zekerheid – een lening te vertrekken ten bedrage van €470.800,--, dat in overigens gelijkblijvende omstandigheden bij voorlegging van een taxatierapport met een lagere waarden niet zou hebben willen doen voor een daarmee corresponderend lager bedrag. Het hof houdt het er dan ook voor dat er voor de schadevaststelling van moet worden uitgegaan dat ingeval de normschending aan de zijde van SBF c.s. zou zijn uitgebleven, de situatie was geweest dat SBF c.s. een taxatie had verricht die een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot zou hebben verricht, Edro en [betrokkene 2] tot overeenstemming over de verkoop tegen een lager bedrag waren gekomen en Sparck [betrokkene 2] ten behoeve van deze aankoop zou hebben gefinancierd. Het hof neemt verder aan dat de gang van zaken ([betrokkene 2]’ tekortkoming (waarmee dan wel iets lagere bedragen gemoeid zouden zijn geweest), de onderhandse verkoop) verder geweest zou zijn als hij thans is geweest.
onderhandsverkocht. In het licht hiervan valt niet in te zien waarom er dan bij de vaststelling van de schade gerekend zou moeten worden met executiewaarden. Het hof houdt het er dan ook voor dat de schade in hoofdsom die Sparck als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 2] heeft geleden het verschil bedraagt tussen €428.000,-- en 365.000,--, derhalve € 63.000,-- (dat Sparck in beide situaties 110% van de getaxeerde onderhandse verkoopwaarde aan [betrokkene 2] had geleend, kan buiten beschouwing blijven, nu dat is iets is wat voor rekening van Sparck behoort te blijven). Over dit bedrag is [geïntimeerde 2] de wettelijke rente verschuldigd vanaf 10 april 2007, zijnde de datum waarop Sparck op basis van de taxatie haar lening aan [betrokkene 2] heeft verstrekt. Nu vaststaat dat Sparck door de transactie met [betrokkene 2] en diens fraude aanzienlijk meer schade heeft geleden dan tot vergoeding waarvan [geïntimeerde 2] is gehouden en hij tot op heden slechts een gering deel van die schade op [betrokkene 2] heeft weten te verhalen, kunnen de desbetreffende bedragen hier buiten beschouwing blijven. Het voorgaande betekent dat grief II faalt.
Beslissing