Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
1 oktober 2014.
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak stond centraal of een familierechtelijke relatie tussen een man en een jongmeerderjarige, geboren uit een in het buitenland gesloten huwelijk, in Nederland erkend moet worden. De moeder verzocht primair om een verklaring voor recht dat deze relatie erkend wordt, subsidiair om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en vervangende toestemming voor een Nederlands paspoort. Het hof stelde vast dat het verzoek voor paspoortintrekking was ingetrokken en dat de gerechtelijke vaststelling van vaderschap niet ontvankelijk was omdat niet aan de wettelijke voorwaarden was voldaan.
Het hof oordeelde dat de erkenningsregel van artikel 10:101 juncto Pro 10:100 BW van toepassing is op het in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeit van geboorte, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld. De moeder betoogde dat de conflictrechtelijke toets niet geldt bij erkenning, terwijl de man stelde dat bij bigamie wel een toetsing aan de openbare orde nodig is. Het hof volgde de moeder en stelde dat de erkenningsregel geen voorvraag naar de geldigheid van het huwelijk vereist.
Het hof concludeerde dat de geboorteakte, opgemaakt door een bevoegde instantie volgens lokale voorschriften, voldoende bewijs vormt van de familierechtelijke betrekkingen. Hoewel het huwelijk bigamie betrof en in Nederland niet erkend wordt, betekent dit niet dat de afstamming van het kind geweigerd kan worden. De erkenning van de familierechtelijke relatie wordt niet door de openbare orde belemmerd. Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover nodig en verklaarde voor recht dat de jongmeerderjarige het kind is van de man.
Uitkomst: Het hof verklaart voor recht dat de jongmeerderjarige het kind is van de man en dat deze familierechtelijke relatie in Nederland erkend wordt.