ECLI:NL:RBDHA:2015:4701

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2015
Publicatiedatum
23 april 2015
Zaaknummer
C-09-458197 - FA RK 14-243
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 1 BWArt. 1:212 BWArt. 10:100 BWArt. 10:101 BWArt. 9 Verdrag van 14 maart 1978
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inschrijving buitenlandse geboorteaktes minderjarigen en erkenning familierechtelijke betrekking ondanks bigamie

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van een man om de buitenlandse geboorteaktes van zijn minderjarige kinderen in te schrijven in het Nederlandse register van de burgerlijke stand. De man was ten tijde van de geboorte van de kinderen gehuwd met de moeder, maar ook met een andere vrouw, wat bigamie opleverde. De man en de moeder zijn Libanees, de man heeft tevens de Nederlandse nationaliteit. De minderjarigen hebben de Libanese nationaliteit en hadden een Nederlands paspoort waarvan de tweede verlenging werd geweigerd.

De rechtbank oordeelde dat er voldoende aanknopingspunten zijn met het Nederlandse recht om het verzoek te behandelen. De buitenlandse geboorteaktes zijn volgens de rechtbank rechtsgeldig opgemaakt en de familierechtelijke betrekking tussen de man en de kinderen komt voor erkenning in Nederland in aanmerking. Hoewel het tweede huwelijk van de man bigamie betreft en in Nederland strijdig is met de openbare orde, leidt dit niet tot weigering van erkenning van het vaderschap en de familierechtelijke betrekking.

De rechtbank verwees naar wetswijzigingen per 1 april 2014 die erkenning van kinderen uit een andere relatie dan de echtgenote mogelijk maken. Ook is het eerste huwelijk inmiddels ontbonden, waardoor het bigame huwelijk niet langer onverenigbaar is met erkenning. De rechtbank gelastte de inschrijving van de geboorteaktes in het Nederlandse register en wees de overige verzoeken af, waaronder de verklaring voor recht en gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, omdat deze niet langer relevant zijn.

Uitkomst: De rechtbank gelast de inschrijving van de buitenlandse geboorteaktes van de minderjarigen in het Nederlandse register en erkent het vaderschap ondanks bigamie.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 14-243
Zaaknummer: C/09/458197
Datum beschikking: 23 maart 2015

Inschrijving geboorteakte

Beschikking op het op 13 januari 2014 ingekomen verzoekschrift van:

[de man],

de man,
wonende te [plaats] (Libanon),
advocaat mr. E. van Kempen te Amsterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende te [plaats] (Libanon),

[de minderjarige 1], geboren op [datum] te [plaats],

[de minderjarige 2],geboren op [datum] te [plaats],
de minderjarigen,
beiden wonende te [plaats] (Libanon),
in rechte vertegenwoordigd door mr. J. Lintjer, advocaat te Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator
en

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag,

zetelend te Den Haag,
de ambtenaar.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief d.d. 21 januari 2014 van de zijde van de man;
- de brief d.d. 4 februari 2014, met bijlagen, van de zijde van de man;
- het verweerschrift van de bijzondere curator, ingekomen op 18 februari 2014;
- de brief d.d. 25 februari 2014 van de zijde van de man;
- de brief d.d. 17 maart 2014 van de bijzondere curator, met als bijlagen de verklaringen van de minderjarigen;
- de brief d.d. 9 april 2014 van de ambtenaar;
- de brief d.d. 10 april 2014 van de bijzondere curator;
- de brief d.d. 26 juni 2014 van de zijde van de man;
- het zelfstandig verzoek van de bijzondere curator, ingekomen op 13 augustus 2014;
- de reactie op het zelfstandig verzoek van de zijde van de man d.d. 14 augustus 2014;
- de brief d.d. 9 september 2014 van de zijde van de man, met als bijlage de instemmingverklaring van de moeder d.d. 31 augustus 2014.
Op 12 januari 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoeker, de bijzondere curator en de heer[naam] namens de ambtenaar.
Na de terechtzitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het aanvullend verzoek van de man, ingediend op 16 januari 2015;
  • de reactie van de ambtenaar d.d. 30 januari 2015.

Verzoek

Het verzoek – zoals het thans luidt – strekt tot:
  • verklaring voor recht dat tussen de man en de moeder een met een huwelijk op één lijn te stellen band heeft bestaan en thans nog bestaat dan wel dat er een nauwe persoonlijke band bestaat tussen de man en de minderjarigen;
  • gelasting van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag tot inschrijving in het register van de burgerlijke stand van de geboorteaktes van de minderjarigen, onder gelijktijdige verbetering van die aktes in die zin dat de gegevens van de man als vader niet worden opgenomen, zodat de latere vermelding van het vaderschap kan worden toegevoegd;
  • benoeming van een bijzondere curator op grond van artikel 1:212 Burgerlijk Pro Wetboek, voor zover de rechtbank dit nodig acht;
alsmede aanvullend tot verklaring voor recht dat:
  • de minderjarigen de kinderen zijn van de man;
  • vanaf de geboorte van de minderjarigen een juridische vaderschapsrelatie is ontstaan c.q. dat sprake is van juridisch vaderschap van de man;
  • er een familierechtelijke relatie bestaat tussen de minderjarigen en de man, die voor erkenning naar Nederlands recht in aanmerking komt.
De bijzondere curator verzoekt thans zelfstandig:
  • het vaderschap van de man over de minderjarigen gerechtelijk vast te stellen;
  • de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag te gelasten de geboorteaktes van de minderjarigen in te schrijven in het register van de burgerlijke stand, onder gelijktijdige verbetering van die aktes in die zin dat de gegevens van de man als vader niet worden opgenomen, zodat de latere vermelding van het vaderschap kan worden toegevoegd.
De ambtenaar voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- De man en de moeder zijn op [datum] te [plaats], Libanon, volgens Islamitisch recht met elkaar gehuwd.
- Uit dit huwelijk zijn voornoemde minderjarigen geboren.
- Ten tijde van de geboorte van de minderjarigen was de man ook gehuwd met [naam].
- Laatstgenoemd huwelijk, gesloten op [datum], is ontbonden op [datum].
- De moeder heeft de Libanese nationaliteit.
- De man heeft de Nederlandse en de Libanese nationaliteit.
- De minderjarigen hebben (in ieder geval) de Libanese nationaliteit.
- De minderjarigen hebben vanaf hun geboorte een Nederlands paspoort gehad, welk paspoort één keer is verlengd. De tweede verlenging van het Nederlandse paspoort is geweigerd.
- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 23 januari 2014 is mr. J. Lintjer voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarigen ingevolge artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.
- Uit rapporten van DNA-onderzoek d.d. 3 september 2013 blijkt met meer dan 99,999% zekerheid dat de man de biologische vader is van de minderjarigen.

Beoordeling

Gelet op de nationaliteit van de man, acht de rechtbank voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer aanwezig om van het onderhavige verzoek kennis te nemen.
De rechtbank zal eerst het verzoek tot inschrijving van de geboorteaktes van de minderjarigen in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag beoordelen. Inschrijving van een buiten Nederland opgemaakte geboorteakte in een register van de burgerlijke stand is mogelijk indien de akte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt en een persoon betreft die op het ogenblik van het verzoek Nederlander is of enige tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan niet-Nederlander is geweest, die rechtmatig verblijft in Nederland of aan wiens akte een latere vermelding moet worden toegevoegd.
De rechtbank zal allereerst beoordelen of de minderjarigen de Nederlandse nationaliteit hebben. Daarbij is van belang of zij in familierechtelijke betrekking staan tot de man.
De minderjarigen zijn geboren in Libanon. Artikel 10:101 BW Pro bepaalt dat een buitenslands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, van rechtswege in Nederland wordt erkend, tenzij sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in artikel 10:100 BW Pro.
Door de man zijn overgelegd de gelegaliseerde Libanese geboorteaktes van de minderjarigen, waarop de man als vader staat vermeld. De familierechtelijke betrekking die in deze aktes is neergelegd komt naar het oordeel van de rechtbank voor erkenning in aanmerking, tenzij zich een van de weigeringsgronden voordoet. Daarbij komt het aan op de vraag of, zoals de ambtenaar heeft betoogd en de man heeft weersproken, de erkenning van die familierechtelijke betrekking onverenigbaar is met de openbare orde.
De rechtbank is van oordeel van strijd met de openbare orde in dit geval geen sprake is. Vaststaat dat de minderjarigen zijn geboren uit het door de man in Libanon gesloten huwelijk met de moeder, terwijl eveneens vaststaat dat de man op dat moment nog gehuwd was met een andere vrouw. Niet ter discussie staat dat het tweede huwelijk van de man ten tijde van de huwelijkssluiting in strijd was met de Nederlandse openbare orde. Dit betekent evenwel niet dat de erkenning van de uit dat huwelijk ontstane rechtsbetrekkingen tussen de man en de minderjarigen in strijd zou komen met de Nederlandse openbare orde. Bij de beoordeling op grond van artikel 10:101 BW Pro van de erkenning van de familierechtelijke betrekking dient de voorvraag van erkenning van het daaraan ten grondslag liggende huwelijk geen rol te spelen (zie ook de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 oktober 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4394).
De rechtbank acht het bovendien na 1 april 2014 in ieder geval niet (meer) in strijd met de openbare orde om een familierechtelijke betrekking te erkennen die is ontstaan uit een bigaam huwelijk. Immers, vanaf dat moment is artikel 1:204 lid 1 BW Pro gewijzigd, waardoor het voor een gehuwde man mogelijk is een uit een andere vrouw dan zijn echtgenote geboren kind te erkennen. Een dergelijke erkenning is derhalve niet langer nietig. De rechtbank acht het niet juist om onderscheid te maken tussen de erkenning van familierechtelijke betrekkingen van kinderen geboren uit een bigaam huwelijk enerzijds en de erkenning van familierechtelijke betrekkingen van kinderen geboren uit een overspelige relatie anderzijds.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat er in dit geval bovendien geen sprake (meer) van is dat het tweede (bigame) huwelijk van de man in Nederland niet zou kunnen worden erkend. Het eerste huwelijk van de man met [naam] is inmiddels immers op [datum] door echtscheiding ontbonden. Op grond van artikel 9 in Pro verbinding met artikel 11 lid 2 van Pro het Verdrag van 14 maart 1978, Trb. 1987, 137, inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken, kan de erkenning van het (bigame) huwelijk van de man met de moeder vanaf dat moment niet meer worden geweigerd.
Nu de familierechtelijke betrekking tussen de man en de minderjarigen in Nederland moet worden erkend, geldt de man vanaf de geboorte van de minderjarigen als de juridische vader van de minderjarigen. Nu de man ten tijde van de geboorte van de minderjarigen de Nederlandse nationaliteit bezat (en nog altijd heeft), hebben ook de minderjarigen de Nederlandse nationaliteit. De man en de bijzondere curator zijn dan ook ontvankelijk in hun respectieve verzoeken tot inschrijving van de geboorteaktes van de minderjarigen in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag.
Het verzoek tot inschrijving van de geboorteaktes van de minderjarigen in het register van de burgerlijke stand is, nu de minderjarigen Nederlander zijn en de geboorteaktes overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt, voor toewijzing vatbaar. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de (aanvankelijk) verzochte aanpassing van de vadergegevens niet aan de orde is.
Gelet op het vorenstaande bestaat bij het verzoek van de bijzondere curator tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap geen belang meer. Hetzelfde geldt voor de verzoeken van de man met betrekking tot de nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en de minderjarigen, het op één lijn met een huwelijk te stellen band met de moeder van de minderjarigen en de verzochte verklaring(en) voor recht. Deze verzoeken zullen daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
gelast de inschrijving in het register van geboorten van de gemeente Den Haag van:
- de op [datum], met registratienummer [nummer], door de ambtenaar van de burgerlijke stand te [plaats] (Libanon) opgemaakte akte relaterende de geboorte van [de minderjarige 1], dochter van [de man], en [de moeder], op [datum] te [plaats] (Libanon),
en
- de op [datum], met registratienummer[nummer], door de ambtenaar van de burgerlijke stand te [plaats] (Libanon) opgemaakte akte relaterende de geboorte van [de minderjarige 2], zoon van [de man], en [de moeder], op [datum] te [plaats] (Libanon),
van welke aktes een fotokopie aan deze beschikking is gehecht;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, A.M. Brakel en J. Brandt, bijgestaan door mr. M. Pereira Horta-van Dijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2015.