Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Arrest van 27 mei 2014
[appellant],
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
Tijdens de comparitie heeft [appellant] nog gesteld dat van wederrechtelijk binnendringen in zijn geval geen sprake is aangezien hij het pand is gaan gebruiken met toestemming en op uitnodiging van [betrokkene 2] en [betrokkene 3], die op hun beurt het pand in 2010 van [betrokkene 1] in gebruik hebben gekregen. Voorts heeft hij ter zitting betoogd dat van wederrechtelijk vertoeven blijkens de wetsgeschiedenis en de ratio van artikel 138a Sr alleen sprake kan zijn indien de woning of het gebouw wederrechtelijk in gebruik is genomen. Volgens [appellant] is de uitleg die de voorzieningenrechter geeft aan artikel 138a Sr onjuist aangezien in die uitleg ook huurders die in de woning blijven wonen na beëindiging van het huurcontract onder de bepaling vallen en zich dus schuldig maken aan kraken. Dat heeft de wetgever evident niet beoogd. De ongelukkige formulering “wederrechtelijk binnendringt of wederrechtelijk aldaar vertoeft” van artikel 138a Sr is gekozen om ook het verblijf in een pand dat voor inwerkingtreding van deze bepaling is gekraakt, te kunnen ontruimen. Artikel 138a Sr heeft dezelfde reikwijdte als de voorganger, artikel 429sexies Sr waarin “vertoeven in een wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw” strafbaar is gesteld, aldus nog steeds [appellant].